Column

WO3?

Terwijl in Parijse huiskamers ouders hun jonge kinderen moeten uitleggen wat een suicide bomber is („dat zijn mensen die denken dat ze naar de hemel gaan als ze iemand doden – maar dat is niet waar, hoor”), vraagt CNN zich al openlijk af of de Derde Wereldoorlog begonnen is – zonder dat we het weten. Kijk naar de feiten, schrijft commentator Frida Ghitis op de CNN-site: terwijl in Parijs de beklemming na de ongekende terroristische aanval voortduurt, Brussel vier dagen volledig op slot heeft gezeten, heeft een NAVO-land een Russisch gevechtsvliegtuig neergehaald. In de nasleep van dat incident vlamt de retoriek ongekend hoog op – gevolgd door tartende Russische daden, zoals het stilleggen van het toerisme naar Turkije en een boycot van goederen, vanwege een plotseling ontdekt gebrek aan kwaliteit door de autoriteiten – die truc kenden wij Nederlanders al.

De etterende oorlog in Syrië heeft de wereld in een houdgreep, zegt Ghitis. Want: „Zo ziet een wereldoorlog eruit: eigenaardige allianties, tegenstrijdige doelstellingen, opportunistische bondgenootschappen.” Haar artikel is slechts een van de honderden commentaren, maar wat eraan opvalt is dat haar inktzwarte aanzegging nauwelijks meer opvalt. Een wereldoorlog?! Juist het feit dat de geopolitieke situatie zo onhelder is, de taal inmiddels zo vervuild, liggen instinctieve associaties met de Eerste Wereldoorlog voor de hand. De titel van de bestseller van de Britse historicus Christopher Clark over de aanloop tot die oorlog, Sleepwalkers, heeft ons een nieuw angstsyndroom bezorgd: slaapwandelen we opnieuw een wereldoorlog in?

Met historische paralellen kun je twee kanten op. Je kunt ze zien als een geruststelling. We beschouwen de uitzinnige wreedheid van de jihadi’s als een ongekende gruwel, maar in 1894 liep een Franse anarchist de restauratie van station St Lazare binnen, bestelde een biertje dat hij meteen afrekende, stak rustig een sigaar op en gooide bij het naar buiten gaan een bom over zijn schouder. Heel de verwrongen mentaliteit van de huidige generatie terroristen wordt al beschreven in Joseph Conrads roman The Secret Agent – uit 1906. Die roman eindigt met een onooglijke man die met een bomvest door de straten van Londen loopt, met in zijn hand het ontstekingsmechanisme: „Hij had geen toekomst. Hij was een kracht. In zijn gedachten koesterde hij beelden van ravage en vernietiging.” Ik herlees die roman om de paar jaar, hij vertelt me meer dan het nieuws. Alles wat wij beleven is al eens gebeurd, alle gruwelen die ons te wachten staan, hebben eerder plaatsgevonden. En we zijn er nog steeds.

Maar hoe geruststellend is dat? De historische parallel is ook een waarschuwing. Conrads roman is een bijtende satire op wat de inleider van de Penguin-editie „the politics of feeling” noemt – gevoelspolitiek. Op dit moment zijn we van alle kanten omringd door gevoelspolitiek, het reli-nationalisme van Erdogan, de volmaakte leugenmachine van Poetin en zijn handlangers, de pathetische praat van jihadisten. Ook in het dagelijkse leven vliegen de hyperbolen je om de oren – het vrije westen, de bedreigde natiestaat, aanval, landverraders, verkrachters, volk en vaderland. De gevoelspolitiek heeft het streven naar universele gelijkheid opgegeven en ingeruild voor een taal van bedreigde unieke eigenheid. Eigen gevoel eerst.

De werkelijkheid blijft nog achter op die taal. Maar overal wordt met woorden een werkelijkheid geschapen die een eigen leven begint te leiden. De taal van de Republikeinse presidentskandidaten heeft de overtreffende trap van hysterie en misleiding bereikt. Er wordt nu opgeroepen moslims te verplichten zich te registreren (Donald Trump op de vraag van een journalist die vraagt wat het verschil met een Jodenster is: „You tell me.”) Donderdag imiteerde Trump de bewegingen van een spastische journalist, die de door hem verkondigde mythe van duizenden juichende moslims bij het ineenstorten van de Twin Towers had ontkracht. Op dezelfde dag noemde het Russisch Ministerie van Defensie de door Turkije vrijgegeven bandopname waarin het Russische gevechtsvliegtuig wordt gewaarschuwd een ,,gebruikelijke fake.’’ Zij kunnen het weten.

Misschien is het expliciet speculeren op een wereldoorlog gewoon onderdeel van deze taalorgie, nog weer meer gevoelspolitiek. Als je te vaak zegt dat het oorlog is, wordt het oorlog. Maar we kunnen niet langer ontkennen dat we omringd zijn door een gevoelspolitiek waarin het bijna oorlog is – en dat het gevaar reëel is dat al die agressieve hyperbolen in één klap werkelijkheid worden, als een bom in een vol restaurant.