Waar is Willink?

Het hoofd van Carel Willink is verdwenen. Het bronzen portret werd voor het laatst gezien in het museum van Dirk Scheringa, dat inmiddels ter ziele is.

Het hoofd van Willink is zoek. Het bronzen beeld, gemaakt door Cissy van Bennekom in 1977, stond jarenlang in het Frisia Museum te Spanbroek. In 2005 veranderde dat museum van naam, in ‘Scheringa Museum voor Realisme’, om vier jaar later te verdwijnen, samen met het zakenimperium van Dirk Scheringa. Sindsdien is niets meer vernomen van het bronzen portret van kunstenaar Carel Willink (1900-1983). Zij die betrokken waren bij de afwikkeling van het faillissement zeggen niet te weten waar het beeld is. Ook de politie, Dirk Scheringa en de voormalige directeur van zijn museum hebben geen flauw idee.

De zoon van de kunstenaar, Marten Kircz, is al maanden op zoek. Een logische plek voor het beeld is Museum More in Gorssel, opgericht door zakenman Hans Melchers. Hij exposeert daar het Nederlandse deel van Scheringa’s collectie, dat hij in 2011 voor 14,7 miljoen euro kocht uit de failliete boedel. Maar ook dat museum heeft het beeld niet. Het blijkt niet verkocht met de rest van de collectie. „Het beeld heeft de boedelbeschrijving nooit gehaald”, zegt Johan Bosch van Rosenthal. De kunstmarktkenner begeleidde de verkoop namens Deutsche Bank, een van Scheringa’s schuldeisers: „Het beeld was dus al weg voor schuldeisers zich over de collectie konden ontfermen.”

Toen het museum van Dirk Scheringa nog was gevestigd in een voormalige huishoudschool, stond het bronzen portret in een zaal met schilderijen van Willink. Die had Scheringa gekocht bij de Amsterdamse kunsthandelaar Loek Brons. Bij het bronzen portret was het anders gegaan, dat had Scheringa gekregen, kort na de opening van het museum in 1997. De schenker was de kunstenaar zelf, Francisca ‘Cissy’ van Bennekom.

Marten Kircz: „Mijn moeder had in de krant gelezen dat Scheringa een Willink-museum wilde beginnen. Dat vond ze een goed idee. Toen is ze naar Spanbroek gereden om hem het beeld te geven.”

Het beeld was van belang voor de collectie, zegt Emily Ansenk, de oud-directeur van het museum. Tot het moment dat een ander bronzen portret van Willink door zijn vrouw Sylvia Willink-Quiel werd aangekocht. Daarna verdween het vaker naar een depot, zegt Belia van der Giessen, die Ansenk in 2008 opvolgde. Het dodenmasker van Willinks ex Mathilde de Doelder, door Van Bennekom afgenomen en ook geschonken aan het museum, bleef wel altijd op zaal. Mathilde de Doelder is de ex die kort na de scheiding onder mysterieuze omstandigheden dood werd aangetroffen: ze lag met een pistool in de rechterhand, terwijl een kogel van links haar hoofd was binnengegaan. Haar dodenmasker is ook wel in Museum More beland.

De verdwijning van het hoofd zou niemand zijn opgevallen als Kircz niet naar Gorssel was afgereisd om te zien waar het beeld was beland in de opstelling van dit nieuwe museum. Hij kon het nergens vinden en benaderde de directeur, Ype Koopmans. Was het beeld wellicht in een depot terechtgekomen? Nee, vertelde Koopmans. Het museum heeft het hoofd niet.

Als Kircz het beeld terugvindt, wil hij het aan het museum schenken. De directeur zei daar wel oren naar te hebben.

Tegen de krant is Koopmans voorzichtiger. „Ik weet niet of we het beeld willen hebben. Dat kan ik niet zeggen, want ik heb het nooit gezien.” Ook niet eerder, in het Frisia Museum? „Nee, nooit.”

Duidelijk wordt dat het museum zelf niet actief naar het beeld zal zoeken buiten de eigen museummuren. De curator, Marcel Groenewegen, heeft dat ook niet gedaan, met een goede reden: hij wist niet dat het zoek was. Hij kan zich niet herinneren of het hoofd „zich ten tijde van mijn benoeming nog in de feitelijke macht van DS Art bevond”.

Ook Dirk Scheringa was zich niet bewust van de vermissing. Wanneer heeft hij het geschenk voor het laatst gezien? „Geen idee.” Naar zijn weten maakte het beeld nog gewoon onderdeel uit van de collectie toen alles door ABN Amro werd „meegenomen” – de aanhalingstekens zijn van Scheringa zelf, in een mail aan deze krant.

Probleem voor de opsporing is de afwezigheid van een ‘benadeelde’ in de wettelijke zin: iemand die gemachtigd is aangifte te doen. Dennis Janus van de politie: „Voor een aangifte moet er een benadeelde partij zijn, een eigenaar. Die lijkt hier moeilijk te vinden.”

Bovendien, geroofde of verloren kunst opsporen heeft voor de politie een lage prioriteit, net als voor het OM. Dat bevestigt een woordvoerder van het Openbaar Ministerie. Alleen als sprake is van „ondermijnende effecten voor de kunstwereld”, of als het gaat om een object van „grote cultuurhistorische waarde”, komt er een onderzoek, dat eventueel leidt tot vervolging.

Dat is hier niet het geval. De waarde zit vooral in de jaren dat het was tentoongesteld in het Frisia Museum. De kunstenaar, Cissy van Bennekom, is vooral bekend als vooroorlogse filmster, niet als beeldhouwer. Een beeld van haar, al is het van een bekende persoon, zal niet meer dan een paar duizend euro opbrengen. Vervalsing of diefstal brengt de geloofwaardigheid van de kunstmarkt niet in gevaar.

Beeld van niemand

Na vermelding van vermissing zal de politie het hoofd wel inschrijven in een nationale database voor gestolen en vermiste kunst. Maar die database is pas van dienst als de politie bij een inbeslagname ook kunstwerken tegenkomt waarvan het vermoedt dat ze zijn gestolen. Janus, van de politie: „Maar ook dan blijft het eigendomsprobleem.”

Nu is het beeld van niemand. Zoon Kircz heeft daarom niet veel opties. Hij kan naar het Art Loss Register gaan, in Londen, wereldwijd de bekendste databank met tienduizenden gestolen en verloren kunstwerken. Maar inschrijving kost geld. Een concurrent is gratis: Art Recovery International, opgezet door een oud-medewerker van het ALR, de jurist Chris Marinello. „Bij ons gaat de meter pas lopen als we het werk hebben opgespoord. En om even reclame te maken: naast het opslaan van foto plus specifieke gegevens in onze ArtClaim Database, gaan wij, anders dan politie of ALR, actief op zoek.”

Gelukkig wil iemand het terug

Het hoofd van Willink heeft het geluk dat een zoon van de kunstenaar belang stelt in zijn verblijfplaats. Voor honderden, wellicht duizenden kunstwerken geldt dat niet. Die kunst verdwijnt in stilte, wordt vernietigd of belandt op een plek buiten het zicht van publiek of kenners. Op basis van verwijzingen naar kunstwerken in documenten, contracten, dagboeken andere historische bronnen, schatten kenners dat maar liefst de helft tot tweederde van alle kunstwerken van voor de twintigste eeuw verloren is gegaan. En ook nu verdwijnt kunst, of wordt ze vernietigd, zelfs door overheidsinstanties. Zo worden af en toe werken weggegooid van de 600.000 kunstwerken die gemeentes en Rijk hebben aangekocht (of beter: ingenomen) in het kader van de Beeldende Kunst-Regeling, de BKR. Het werk is niet te verkopen: niemand wil het hebben.

Ook peperdure kunst raakt zoek, werken die zijn gecatalogiseerd en eindeloos gereproduceerd. Neem enkele beroemde Van Goghschilderijen: zijn laatste zelfportret (F525) en het portret van dokter Gachet uit 1890 (F753). Ze gingen in 1998 onder de hamer: voor 71,5 en 90 miljoen dollar gingen ze naar anonieme kopers. Alleen het veilinghuis kent hun identiteit. Of verzamelaars voorzichtig met hun bezit omgaan, is maar de vraag. De Japanner Ryoei Saito wilde met zijn Van Gogh worden begraven. Gelukkig ging hij al eerder failliet.

Is het hoofd van Willink omgesmolten of bij het oud vuil beland? Of staat het ergens op een schoorsteenmantel? Kircz: „Uw gok is niet beter dan de mijne.”