Verstop jij even die tas met geld

Terroristen krijgen steun uit hun omgeving, al is het maar voor een logeeradres. Hoe ziet de ‘schil’ rond jihadisten eruit? „Het faciliteren van reisbewegingen lijkt wel een business op zich.”

Molenbeek, Brussel, waar een deel van de Parijse aanslagplegers vandaan kwam. Foto Yves Herman/ Reuters

Al vijftien dagen jagen duizenden agenten, militairen en medewerkers van de inlichtingendienst op één man. En al vijftien dagen lang weet die man, Salah Abdeslam, verborgen te blijven. De Belgische minister Jan Jambon verklaarde deze week waarom het maar niet lukt deze aanslagpleger van Parijs te arresteren: „Als iemand van vrijdag tot nu op de vlucht kan blijven, moeten we afleiden dat hij steun krijgt.”

Steun was er ook voor de mededaders van Abdeslam. Zij verbleven in een appartement in de Parijse voorstad Saint Denis. De verhuurder moet volgens de Franse justitie hebben geweten dat hij onderdak bood aan terroristen. Twee andere vrienden boden ook hulp, door de terroristen na de aanslagen in Parijs op te pikken en naar België te rijden.

Het slagen van de strijd tegen terrorisme hangt niet alleen af van politie of inlichtingendienst, maar zeker ook van de mate waarin terroristen steun ontvangen, zei de Duitse journalist Stefan Aust onlangs. Hij schreef het geruchtmakende boek Der Baader Meinhof Komplex over de extreemlinkse terreurgroep RAF, dat later werd verfilmd. „De RAF kwam pas ten einde”, zei Aust zondag op de Duitse tv, „toen de sympathisanten zeiden: Nu is het genoeg. We geven ze niks meer: geen paspoorten, geen woning, niks meer.”

Op de uitkijk

Om de huidige generatie terroristen zit ook zo’n schil van mensen die hen steunen, hun acties in eigen kring goedpraten of op belangrijke momenten wegkijken, zegt onderzoeker Bart Schuurman van het Haagse Centre for Terrorism & Counterterrorism. „Het zijn sympathisanten die actief of passief steun verlenen, of die weet hebben van de dreigende aanslag maar er niets aan doen.”

Hoe ziet die ‘grijze’ schil rondom jihadistische terroristen er precies uit? Op het eerste gezicht zijn er wel in het oog springende verschillen met het terrorisme van groepen als de ETA, IRA of RAF. Die organisaties zijn niet-religieus, kennen mede daardoor minder zelfmoordterroristen, en zijn bovendien gebonden aan een bepaalde regio of land. Daar hadden ze steun van een aanzienlijk deel van de gemeenschap, dat op de uitkijk stond als er aanslagen werden gepleegd, of thuis een wapen verborg. Jihadisten opereren mondialer en zijn veel minder georganiseerd, blijkt uit onderzoeken naar aanslagen in Europa van de laatste tien jaar.

Het kenmerk van veel jihadisten is juist dat zij zich vergaand isoleren en alleen een zeer select gezelschap beschouwen als ware moslims met wie zij eventueel hun plannen delen. Hun kalasjnikovs kopen ze onder meer via het deep web op internet, zoals de daders van de Parijse aanslagen hadden gedaan. De daders van de Londense aanslagen in 2005 (56 doden; 700 gewonden) hadden die zelf voorbereid. Wel was hun leider in een terroristisch trainingskamp in Pakistan geweest. De Canadees die vorig jaar bij het parlement in Ottawa een wachtpost doodschoot, was een lone wolf en verbleef in een daklozencentrum.

Maar er zijn ook veel voorbeelden van terroristen die wél hulp kregen van buitenaf. Een van de bekendste is dat van de aanslagen in Madrid in 2004 (bijna 200 doden). Sommige van de daders konden zich nog maanden na de aanslag ophouden in safehouses buiten Madrid, geholpen door handlangers. Er bestonden verder banden tussen Spaanse jihadcellen en de cel in Hamburg. De laatste was verantwoordelijk voor de aanslagen van 9/11. Dichter bij huis kreeg een lid van de Nederlandse Hofstadgroep hulp van individuen die hem onderdak boden en hem en zijn vrouw af en toe van vervoer voorzagen.

De buitenste ring van de huidige ‘grijze’ schil rondom terroristen is een bredere groep mensen die sympathiseert met het IS-kalifaat. Antiterreurdienst NCTV schatte hun aantal in 2014 op enkele duizenden. Begin 2013 was de steun voor jihadstrijders misschien zelfs nog groter, toen de meeste jongeren naar Syrië afreisden. Veel Nederlandse moslims juichten het toe dat zij het gingen opnemen tegen het wrede Syrische regime. Driekwart van de Turkse en Marokkaanse Nederlanders zag Syriëgangers als helden, peilde Motivaction. Dat klimaat droeg bij aan de uitreis naar Syrië, zegt terrorismedeskundige Teun van Dongen van Hogeschool Inholland. „Als jij in je sociale omgeving waardering ziet voor Syriëgangers, verlaagt dit de drempel om zelf ook te gaan.” Sinds duidelijk is dat Syriëgangers betrokken zijn bij aanslagen en onthoofdingen, is die steun aanzienlijk geslonken, merken moskeeën en gemeenten.

Dichter rond de jihadisten bevindt zich een kleinere groep die actieve steun biedt. Het zijn mensen die zelf geen plannen hebben voor een aanslag en zich ook niet willen aansluiten bij een jihadistische groepering in Syrië. Wel willen ze een bevriende jihadist bijstaan in zijn strijd voor de ‘goede zaak’. Door een logeeradres aan te bieden, een auto te huren, een simkaart te kopen of geld in te inzamelen.

Naïeve vriendendienst

Een bekend Nederlands voorbeeld van zo’n helper is Abdelkarim Honing, een ex-jihadist die een boek schreef en regelmatig in talkshow Pauw verschijnt. In zijn radicale periode hielp hij Victor D., een vriend van hem, in Syrië te komen. Hij prees hem om zijn voornemen op jihad te gaan, regelde geld en kleding en bood hem onderdak. Zelf bleef hij liever thuis.

Andere voorbeelden zijn te vinden in Den Haag. Daar gaat het in sommige gevallen niet eens om jihadsympathisanten, maar om bijvoorbeeld jongeren die een familielid steun bieden. Zo kreeg het broertje van Syriëganger Abdellah R. van die laatste het verzoek even 1.000 euro op te halen bij een Haagse vriend. Deze vriend is jihadverdachte Azzedine C. De broer belt Azzedine en probeert een afspraak te maken om het geld op te halen. Later verklaart hij aan de politie dat hij geen idee had waar het geld voor bestemd was. Hij besloot er bewust niet naar te vragen. „Ik wil daar niks mee te maken hebben.”

Wat niet weet, wat niet deert. Zo dacht ook Ahmed S. uit Den Haag, die vorig jaar een tas met 3.900 euro in zijn huis verstopte voor een jihadist. Hij kreeg de tas van een broer van een Belgische IS-strijder. Het geld zou door een minderjarig Haags meisje worden meegenomen naar Syrië. Dat plan ging niet door omdat de politie ingreep. Tegen de politie zei Ahmed dat hij niet wist wat er in die tas zat. Hij dacht eerst dat er kleding in zat, tot de tas werd opengemaakt en hij de opgestapelde briefjes zag. Toen ging hij er maar vanuit dat het geld was bestemd voor de armen in Syrië, aldus Ahmed.

De vage scheidslijn tussen naïeve vriendendienst en het faciliteren van terrorisme komt ook naar voren in terrorismeonderzoeken. In 2009 maakte onderzoeksinstituut WODC een analyse van het beschikbare politieonderzoek op dit gebied. Daaruit bleek dat jihadisten vooral bezig zijn met het ondersteunen van andere jihadisten. Waar de kantoormedewerker dossiers aansleept voor zijn collega’s, is de jihadist vooral druk met het vervalsen van paspoorten, creditcards en het inzamelen van geld voor collega-jihadisten. Gestolen paspoorten worden uitgewisseld via koeriers. Om veilig te kunnen reizen maken jihadisten regelmatig gebruik van gestolen OV-kaarten en paspoorten. Ook mogen ze bij elkaar op de bank slapen. „Het faciliteren van reisbewegingen lijkt binnen de jihadistische beweging wel een business op zich”, schrijven de onderzoekers.

Antiwesterse sentimenten

Naast familie- en vriendschapsbanden profiteren jihadisten ook van ideeën die leven in de religieuze en etnische gemeenschappen waartoe ze behoren. Volgens opinieonderzoek uit 2013 van socioloog Ruud Koopmans onder 9.000 moslims in diverse Europese landen, waaronder Nederland, leven er veel antisemitische en antiwesterse sentimenten onder moslims. Meer dan de helft was het eens met de stelling dat het Westen erop uit is de islam te vernietigen. Op de stelling: Joden kunnen niet worden vertrouwd, antwoordde 45 procent van de ondervraagden met ‘ja’.

Recent onderzoek van de Tilburgse universiteit wijst op het belang van de gemeenschappelijke Marokkaanse achtergrond van jihadisten in Frankrijk, België en Nederland. Op Facebook sympathiseren ze met elkaar, zegt onderzoekster Claudia Lemos de Carvalho. Zij spreekt van een ‘e-jihad’. Er zijn banden van de Marokkaanse netwerken met IS. „Noord-Afrikaanse, met name Marokkaanse netwerken, hebben leden met een hoog profiel binnen de IS-hiërarchie”, zegt De Carvalho. „Nederlandse, Franse en Belgische jihadisten hebben een gemeenschappelijk kenmerk, hun Maghreb-achtergrond. Die geeft hun identiteit, versterkt onderlinge sympathie hetgeen verbindend werkt. Dat geldt zowel online als offline.”

De islamitische theoloog Mohamed Ajouaou, docent aan de Vrije Universiteit, vindt dat moslims een „collectieve verantwoordelijkheid” hebben om steun aan jihadisten in de eigen gelederen uit te bannen. Dat kan door haatimams te weren, geldstromen van buitenlandse fundamentalisten af te snijden en jongeren uit te leggen dat jihad niet hetzelfde is als geweld tegen ongelovigen. Soms ziet hij vooruitgang. „Na de aanslagen in Parijs riep het Marokkaanse ministerie van Godsdienstzaken moskeeën en imams in Europa op de invulling van het begrip jihad onder de loep te nemen. Dat helpt moslims afstand te nemen van gewelddadige interpretaties.” Niet dat hiermee de strijd tegen terrorisme meteen wordt gewonnen, zegt Ajouaou. „Maar essentieel is dat jihadisten worden geïsoleerd en geen bewegingsruimte krijgen.”