Tophond

Column

Er staat geen muziek op in café Papeneiland, vanachter de bar klinken slechts het constante ruisen van een afzuigkap en het zoemen van een koelkast. Het is vijf uur in de middag en het donker heeft zich een half uur eerder al grimlachend bij de kou gevoegd. De kerstversiering en de herinnering aan een prima appeltaart hadden mij hier naar binnen gelokt. Het stelt niet teleur.

De gordijnen van rood velours die de kleine, monumentale raampjes omlijsten, bieden een veilige blik op Het Boze Koud daarbuiten. Als in een baarmoeder, maar dan met ramen en een natgeregende hond. Hoewel dat gevoel ook ingegeven kan zijn door de glühwein die ik bij binnenkomst besteld heb en die voor mij werd opgewarmd in een witte magnetron. De aanblik van het schijnsel uit het vette apparaat had mij een Meisje met de zwavelstokjes-achtig gevoel gegeven.

Ik heb zicht op een kruispunt, een brug. Het kost fietsers veel moeite om het hoogste punt te bereiken, en zwaartekracht noopt sommigen tot afstappen. De spoelbak en de glazen die erin verzopen worden, maken een klotsend geluid. Welk een genoegen om in een horeca etablissement zonder muziek te verpozen. Ook al zijn mijn sokken nat. De kale man naast me – keurig hemd, grijze wollen trui, bril met dik montuur, spekzolen – zucht en jammert. Hij had zichzelf eerder op de houten bank naast mij laten zakken en een koffie zonder melk en een appeltaart besteld. „Oh, en doe maar een fluitje.” Dit alles zit hij met gezwinde spoed naar binnen te werken, hij pauzeert alleen om te zuchten en weeklagen. Ik prik met mijn tong een verse blaar op mijn gehemelte kapot en bestel nog een glühwein.

Tegenover me nemen twee vrouwen plaats. Ze beginnen een pingponggesprek over een vriendin die verhuisd is en iets gezegd had waar iets van gezegd moest worden en ook nog een kaartje voor de verhuizing wat zit je haar leuk nou ik neem een Chouffe, wat jij? Ik ben ergens anders gaan zitten. Er was eindelijk plek naast de vaste klanten. Mannen die niet per se een gesprek met elkaar voeren, maar ook in stilte naast elkaar perfect tevreden zijn. Eén man mompelt zo nu en dan iets als „Beetje draadjesvlees, lekker.” Hoewel ik ze niet meer kan zien, hoor ik de vrouwen nog boven alles uitschetteren. „Rode kaarsen, witte kaarsen, en ook nog servetten.” De zuchtende man is opgestaan en verlaat, zijn sjaal omknopend, het etablissement. Ik vermoed verdreven door de dames. Zo een heeft hij er thuis vast ook al, maar dan kan hij met oordoppen in achter de krant in slaap vallen. „Wij hadden vroeger een hond die liet zichzelf uit”, zegt een van de mannen. „Tophond”, bromt een ander. „Deeje de deur open en dan ging ie, kwam je hem weer tegen in het café.”