Steppekrijger leeft in Noor, vroege boer in Griek

Het lukt steeds beter DNA uit duizenden jaren oude botten te weken. Daardoor is er nu een grote databank met prehistorisch DNA uit heel Europa.

Foto iStock

De komst van de landbouw heeft het DNA van Europa voorgoed veranderd. De overgang naar een boerenbestaan maakte van Europeanen lange melkdrinkers met een lichte huid en een verhoogde kans op sommige darmaandoeningen. Dat concludeert een vanuit Harvard geleid team van genetici uit een DNA-analyse van de eerste boeren en de laatste jagers-verzamelaars die in Europa leefden (Nature, 23 november).

Het lukt genetici steeds beter DNA uit duizenden jaren oude botten te weken. Vooral het massieve rotsbeen rond het binnenoor blijkt een uitstekende bewaarplek voor DNA. De onderzoekers konden daardoor een grote databank met prehistorisch DNA aanleggen, afkomstig uit heel Europa: van Anatolië tot aan Zweden. Bij elkaar verzamelden de onderzoekers DNA van 230 individuen die tussen 6.600 en 300 voor Christus leefden.

Deze periode valt samen met de introductie van landbouw in Europa. Europese jagers-verzamelaars maakten vanaf 9.000 jaar geleden langzaam plaats voor boeren die vanuit Anatolië het continent binnentrokken. Deze boeren verbouwden graan en vestigden zich in permanente dorpen. Intussen maakten de steppevolkeren rond de Zwarte en Kaspische zee hun eigen ontwikkeling door: zij leerden paardrijden en maakten karren en strijdwagens. Vanaf 3.000 jaar geleden verspreidde hun cultuur zich over Europa.

Jagers, boeren, herders

Alle moderne Europeanen stammen in meer of mindere mate af van al deze jagers, boeren en herders. Noren en Tsjechen hebben bijvoorbeeld een flinke smak steppe-DNA, terwijl in het DNA van Grieken en Spanjaarden vooral vroege boeren hun sporen hebben achtergelaten.

De genetici zochten naar bijzondere genvarianten die bij de eerste Europese boeren zijn ontstaan. Het sterkste signaal kwam van een stukje DNA dat volwassenen in staat stelt om lactose (melksuikers) in melk af te breken. De meeste mensen kunnen alleen als baby melk verdragen, als volwassene worden ze er misselijk van en kunnen ze er diarree van krijgen.

De eerste lactose-tolerante Europeanen leefden tussen 2.450 en 2.140 voor Christus. Dat is opvallend laat, vinden de genetici: mensen hielden toen al duizenden jaren geiten, schapen, paarden en koeien. Mogelijk hielden ze die dieren voor hun huiden of vlees, of verwerkten ze melk tot kaas, yoghurt en koemis (een licht alcoholisch gefermenteerd melkdrankje).

Aan sommige voedingsstoffen hadden de eerste boeren een tekort, zoals ergothioneïne. Dit aminozuur zit onder andere in levers, nieren, bonen, oesters en paddestoelen, maar nauwelijks in graan en peulvruchten. Bij de eerste boeren ontstond daardoor een genvariant die beschermt tegen ernstige ergothioneïne-tekorten. Maar deze genvariant heeft ook een keerzijde: het verhoogt de kans op chronische darmontstekingen en coeliakie (glutenintolerantie).

Genen voor een lichte huid ontstonden voor het eerst bij vroege boeren die in 6.600 v. Chr. in Anatolië leefden. Zij brachten die genen mee naar Europa, waar toen hoofdzakelijk donkere jagers-verzamelaars leefden.

Een lichte huid is belangrijk voor boeren die op plekken leven met weinig zon. Jagers en verzamelaars halen vitamine D uit vis en dierlijk vet, net als moderne Inuit, maar boeren zijn afhankelijk van het vitamine D dat in hun huid ontstaat. Blauwe ogen zijn overigens geen boerenuitvinding: genen voor blauwe ogen ontstonden voor het eerst bij jagers-verzamelaars.

De genetici maakten ook lengteverschillen zichtbaar. De boeren uit Spanje waren kleiner dan die in Centraal-Europa. En de steppeherders uit het oosten waren juist opvallend lang.

Vorige week wezen genetici in Nature Communications (16 november) deze steppenomaden aan als sprekers van het proto-Indo-Europees, de oertaal waar bijna alle Europese talen van afstammen. Er kwam gelijk taalkundige kritiek.