Parijse noten

Jazzfan Jules Deelder reist samen met Wilfried de Jong door zijn platenkast naar het Parijs van de jaren vijftig. Een hoorcollege over de alpinopet van Dizzy Gillespie en de bedgeluiden van Juliette Gréco en Miles Davis.

Jazzliefhebbers Jules Deelder (l) en Wilfried de Jong Foto's Stephan Vanfleteren

Nee, vandaag geen pak om het smalle figuur van Jules Deelder (70). De Rotterdamse dichter heeft een leren jack aan en een strakke, zwarte Lee-jeans. De hoed blijft op, binnenshuis. Deelder is, in zijn woon- annex werkkamer, op de hoogste tree van een aluminium trapleer aanbeland. Hij steekt een hand uit naar de platenkast, die tot aan het plafond reikt. Deelder doet een greep uit zijn jazzplaten met Franse labels.

Het regent namen van boven.

Dave Pochonet, Mac Kak, Lloyd Miller, Pierre Michelot, Donald Byrd, Jef Gilson, Henri Renaud, Barney Wilen („een witte Fransoos met een zwarte saxsound”), Nathan Davis, Sacha Distel.

Franse en Amerikaanse namen door elkaar.

Deelder blijft op de bovenste tree staan; één hand aan de trap, in de andere een elpeehoes. „Jazzmusici hadden in de States geen cent te makken. Als ze zwart waren, werden ze ook nog eens met de reet aangekeken. Hier, een Parijse plaat van Lucky Thompson. Lucky was een geweldige saxofonist. Maar hij deed zijn muil open tegen de mannen van de Amerikaanse muziekbusiness en had meteen geen werk meer. Hij vertrok naar Europa. In 1956 heeft Lucky in Parijs deze plaat gemaakt, misschien wel zijn beste ooit. Hier werden Amerikaanse muzikanten met respect behandeld. Parijs was een paradijs. Ze hadden werk en werden niet gediscrimineerd. Gek eigenlijk, want die Fransen hebben het racisme zo’n beetje uitgevonden, maar goed.”

In de jaren 50 en 60 zaten de grote concertzalen in Parijs vol. En later op de avond kon je terecht in kelders en smalle stegen. Parijs had geliefde, intieme jazzclubs: club Saint-Germain, Le Chat Qui Pêche („Daar werd de trompet van Chet Baker nog een keer gestolen”), Le Blue Note.

Druipkaarsen, oude lampen, rookwolken van Franse sigaretten, serieus luisterende meisjes met zwaar aangezette oogschaduw en karaffen vol rode wijn. Deelder: „In die clubs hingen de existentialisten en de ‘beats’ rond. Schrijvers als Burroughs, Corso en Kerouac. Sartre natuurlijk. En experimentele dichters die bij ons vandaan komen, zoals Campert, Claus en Vinkenoog.”

Volgens Deelder is het een misverstand dat Amerikaanse musici pas in de jaren vijftig naar Europa trokken. „Er bleven al gasten hangen na de Eerste Wereldoorlog. De Scrap Iron Jazzerinos bijvoorbeeld. Dat was een brassband die als eerste gesyncopeerde muziek liet horen. Zo’n groep werd hier veel hoger aangeslagen. En eigenlijk is dat nog steeds zo met jazz. Ik verbleef een keer in academische kringen in de States. Ze vroegen me wat ik hun belangrijkste cultuur vond. Jazz, zei ik. Natuurlijk. Nou, dat zagen zij niet zo. Nee joh, jazz was onfatsoenlijke muziek. Zelfs de meeste zwarten in de States kennen Charlie Parker niet. Of Sidney Bechet. Europa, daar zagen ze jazz als kunstvorm, het werd het beloofde land.”

Deelder staat nog steeds op de trap. Hij heeft weer een volgend Frans exemplaar tussen de rijen platen uitgetrokken. ‘Reunion à Paris’ staat erop. Het is een dunne hoes. „Amerikaanse jazzplaten hebben een kartonnen hoes, in Europa waren ze slap. Zoals deze. Met Allen Eager, een tenorsaxofonist. Speelt op deze plaat in Parijs met Martial Solal, een Algerijnse pianist. De Amerikanen wisten niet wat ze hoorden. Een Algerijn die jazz speelde? Kenny Clarke drumt. Clarke kom je vaak tegen op Franse platen. Woonde al sinds 1954 in Parijs. Dat was een centrale figuur. Alle Amerikanen wilden met hem spelen.”

Met duim en wijsvinger trekt Deelder de elpee eruit. Er is een hap uit het vinyl. „Is een janlul op gaan staan. Moet je de voorkant van de hoes zien. Deze plaat komt uit de collectie Lettinga, kijk, zijn naam staat erop geschreven. Hij was een beruchte Nederlandse verzamelaar. Die vent knipte steeds foto’s uit de hoes, voor in zijn plakboeken. Kijk, hele plaat verziekt.”

Vreemd genoeg is Deelder maar een paar keer in Parijs geweest. „Het is natuurlijk een wereldstad maar als ik een stad moet noemen om een jaar te wonen, kies ik voor de Angelsaksen, voor Londen dus. Vroeger kon je voor een joetje met een vrachtwagen meeliften naar de Parijse Hallen. Heb ik wel eens gedaan. Maar ik heb het niet zo op die Fransen. Zo’n hekel aan die taal. Dat geneuzel tussen die snorharen door, alle belangrijke dingen gaan verloren in dat gekeuvel. En dan die chansons. Man!”

Een uitzondering wil Deelder maken voor Juliette Gréco. Hij zag de inmiddels 88-jarige Franse zangeres onlangs tijdens de Nacht van de Poëzie in Carré. „Ik heb haar niet aangesproken. Maar ik zag haar in de coulissen en dacht, ja, hier staat wel een persoonlijkheid. Nog een mooie vrouw.”

Gréco kreeg een verhouding met trompettist Miles Davis toen hij in Parijs speelde. Er gaan verhalen van mannen die de wacht hielden op de stoep voor Hotel La Louisiane in de wijk Saint-Germain om bedgeluiden uit de suite van Miles op te kunnen vangen. La Louisiane was een hang-out voor veel jazzmusici, kunstenaars en schrijvers. Saxofonist Lester Young sliep er, pianist Mal Waldron, maar ook Ernest Hemingway, het koppel Sartre en De Beauvoir, Chet Baker.

Baker was als jazzvogel overal en nergens en bezocht Parijs vaak. Deelder – die Chet Baker luttele uren voor zijn dood op 13 mei 1988 nog aansprak in jazzcafé Dizzy in Rotterdam – ziet zijn trompetheld in gedachten door Europa dwalen. „Chet kon op een avond in Parijs spelen en dan in één dag met zijn auto heen en weer naar Rome scheuren voor een gig. Hij blies als een halfgod en reed als de duivel.”

De stoelen in de huiskamer staan er maar een beetje verloren bij. Deelder is afgedaald en loopt heen en weer langs zijn immense platenkast; zijn zoekende vingers maken een associatieve tocht langs oude elpees. „Weet je wie je niet mag vergeten als het om jazz in Parijs gaat? Gypsy-gitarist Django Reinhardt. Hij heeft als een van de weinige Europeanen wat toegevoegd aan de jazz. Die zigeunersound, dat was eigenlijk een soort blues. En dat deed Django allemaal met die linkerhand, verminkt door een brand. Er hingen nog maar een paar vingers aan. Weet je trouwens dat Django waanzinnig kon biljarten met die hand? Driebanden, met de keu op die verschrompelde vingertjes. Te gek. Een genie. Maakte goed gebruik van zijn handicap.”

In de jazzfilm Round Midnight (1986) van cineast Bertrand Tavernier speelt saxofonist Dexter Gordon de hoofdrol. Zijn karakter is gemodelleerd naar twee Amerikanen die in Europa werken: pianist Bud Powell en saxofonist Lester Young. Deelder: „Dat speelde die Dexter erg goed. Er zijn veel letterlijke citaten gebruikt uit de Parijse periode. In een scène in een jazzclub valt er een bezoeker van zijn kruk als hij een glas alcohol achterover slaat. Dexter zegt dan tegen de barman: „Doe mij er ook zo een.” Dat is een grap van Bud Powell. Die zoop als een ketter. Hij had een vrouwelijke manager in Parijs; Buttercup heette dat wijf. Moest hem de hele dag in de gaten houden. Ze sloot hem zelfs op in zijn hotelkamer. Powell was gestoord. Zat regelmatig depressief in een inrichting. Een tragedie die man, heeft in Frankrijk nooit meer zijn niveau gehaald van zijn eerste Blue Note-platen in de States.”

Natuurlijk genoten de musici van het goede eten en drinken in de Europese jazzhoofdstad. Deelder is de trap weer opgeklommen en trekt een volgende jazzplaat tevoorschijn. Met zijn neus bijna tegen de hoes, leest hij de tekst en bestudeert de foto’s. „Hier. Bobby Jaspar. Een Belgische tenor. Zat ook veel in Parijs. Met René Thomas, een gitarist uit Luik, met van die enorme dikke brilleglazen. Geweldige muzikanten die werden bewonderd door de Amerikanen in Parijs. Jaspar en Thomas gingen aan de dope teloor. Parijs was een vrije stad, hè? Daar was alles te koop. En anders kwam Pelzer wel even over. Dat was een saxofonist die in Luik een apotheek had. Van hem kregen Thomas, Jaspar en Chet de spullen. Bobby Jaspar heeft de hele inhoud van de apotheek er doorheen gejast. De dope was hier in Europa veel beter. In de States was het maar voor 12 procent zuiver. Daarom gingen Amerikanen hier zo vaak de pijp uit. Veel te zwaar, dat spul. En drinken die gasten. Bij Dexter ging meer alcohol door zijn aderen dan bloed. Saxofonist Lockjaw Davis dronk een fles whiskey op met warme melk, want hij had last van zijn maag. Tegen Lester Young zeiden ze: hé Prez, je moet ook eten, hè? Deed ie drie druppeltjes sinaasappelsap in zijn fles gin. Die gasten waren een medisch wonder.”

Daar is Juliette Gréco weer, op een oude zwart-witfoto met jazzmusici. „Zo, hier is ze nog stervensjong, zeg. Mooie dame. Die zwarte gasten konden het gewoon met een blanke dame doen. Moet je nagaan. Dat was echt uitgesloten in de States.”

Op een houten kistje onder de platenspeler zie ik tot mijn verbazing een stoffige alpinopet liggen. Deelder, de Frankrijkhater, met een alpino in huis? „Van de rommelmarkt, denk ik. Er zat een militair insigne op de voorkant. Dat vond ik wel interessant. In Parijs droegen heel veel van die existentialisten en beboppers een alpino. Het hele orkest van vibrafonist Lionel Hampton had er eentje op tijdens een optreden. Dexter Gordon, Gigi Gryce, Clifford Brown en Sonny Rollins ook. Trompettist Dizzy Gillespie staat op een foto uit 1949, met een alpino met een G-sleutel aan de voorkant. Het was hip in die tijd. Ze hielden die alpino op als ze weer in de States kwamen. Dan konden ze zeggen: „Kijk, ik heb in Parijs gespeeld. Nou, dat was wat, hoor!”