Oud is niet het einde van alles

Vonne van der Meer keert zich in haar boek Winter in Gloster Huis tegen ‘de dood’ als uitweg voor oude mensen. „Mensen hebben hun depressies, ook op hoge leeftijd, zeker, maar geef ze de kans daar ook weer uit te komen.”

Vonne van der Meer: „Ik vind de oudere mensen in mijn omgeving minstens zo inspirerend als de jongere.” Foto Roger Cremers

Psychiater Arthur zit op een avond in het theater: King Lear. Hij kent het stuk natuurlijk. Maar deze keer ziet hij ineens niet zozeer het verhaal van de oude koning en zijn dochters, maar dat van de blinde Gloster (the earl of Gloucester) die in wanhoop van een klif wil springen, en van zijn zoon die hem wil helpen. Gloster springt, maar niet van een grote hoogte zoals hij denkt. Zijn zoon heeft hem misleid en veinst nu dat hij iemand is die beneden aan de rotswand staat en in opperste verbazing roept: hoe is het mogelijk dat u zo’n val overleefd heeft! Gloster besluit daarop dat hij dan maar zal blijven leven tot hij vanzelf dood gaat: „Voortaan zal ik ellende verdragen tot zijzelf uitroept: ‘Genoeg! Genoeg en sterf!’”

Na die scène ziet Arthur niet veel meer van het toneelstuk. Hij heeft een idee gekregen: „Ik zag (…) een huis voor me. Een plek waar ik mensen die het hadden opgegeven, mensen als Gloster, een gast misschien uit het Vaarwelhotel, naartoe kon brengen – desnoods zonder toestemming, met een list.”

Schrijfster Vonne van der Meer zit op een avond in het theater: King Lear. Ze kent het stuk natuurlijk. Maar deze keer ziet ze ineens niet zozeer het verhaal van de oude koning, maar dat van de blinde Gloster die in wanhoop van een klif wil springen. Na die scène ziet Van der Meer niet veel meer van het toneelstuk. Ze heeft een idee gekregen: „Wat zou dat een mooie situatie zijn, iemand die de zelfmoord van een ander, of van een aantal anderen zou verhinderen omdat hij vermoedt dat ze zo dood nog niet willen.”

In haar idee zal Arthur blijken voor te komen, de psychiater. En zijn broer Richard, eigenaar van het ‘Vaarwelhotel’.

Zo ontstond Winter in Gloster Huis, Van der Meers nieuwste roman. Het is het verhaal van twee broers die op een dag rijk blijken te zijn dankzij een erfenis. Het is 2024. De ‘Klaar met leven-wet’ is aangenomen: mensen die hun leven voltooid achten, mogen met hulp van een arts sterven. Broer Richard richt met geld van de erfenis het Vaarwelhotel op, een plek waar mensen met weinig familie of vrienden, die niet alleen willen sterven, in alle comfort geholpen kunnen worden. Gratis. Broer Arthur bouwt aan de andere oever van het meer een huis voor degenen die op het laatst toch eigenlijk aarzelen of twijfelen. Hij vindt niet dat de enige uitweg voor oude mensen altijd de dood is. Hij denkt dat er soms nog wel iets te maken valt van zo’n leven. Met zorg en aandacht. Zonder angst om anderen tot last te zijn. Niet zo eenzaam. Vandaar zijn schepping: Gloster Huis.

Heeft één van de twee gelijk?

„Er zijn natuurlijk niet maar twee manieren om tegen ouderdom aan te kijken. De oudste broer vindt echt dat je aftakeling de pas af zou moeten snijden, dat je oud worden, gebrekkig worden niet zou moeten willen. Als hij over zijn vaders laatste jaren praat zegt hij: ‘Hoe hij hier zat, dag in dag uit zijn tijd zat uit te zitten…’ Hij had dat zijn vader willen besparen. Arthur ontkent niet dat er gebreken komen met het ouder worden, maar hij herinnert zich hoe hun vader eens tegen hem zei dat hij, als hij bij het raam een boek zat te lezen, zijn leeftijd vergat.”

De oudste broer verwoordt iets dat veel mensen vinden en voelen.

„Ja dat ben ik me bewust. Dat is een van de redenen dat ik met zoveel energie dit boek heb geschreven, ik wilde laten zien dat er ook een andere manier is van naar ouderdom kijken.”

Overtuigde u met de oudste broer u zelf weleens?

„Het is een gulle en hartelijke man, en hij denkt oprecht dat hij de mensheid met dat zelfmoordhotel een enorme dienst bewijst. De reden om hem minder ruimte te geven dan de andere broer is dat de meeste mensen op het ogenblik net zo denken als hij. Broer Arthur denkt: oud worden, brozer, de ‘eerbiedwaardige zwakte’ zoals ik bij Thomas Mann las, hoort erbij. Mensen hebben hun depressies, ook op hoge leeftijd, zeker, maar geef ze de kans daar ook weer uit te komen.”

Het taalgebruik rond de zelfgekozen dood, ‘klaar met leven’, ‘waardig einde’ enzovoort, daar lijken zowel u als uw personage zich aan te ergeren.

„Ik vind dat zulk grauwe begrippen, van alle raadsels ontdaan. Ik ontken niet dat het zwaar is als iemand beseft dat ze bijvoorbeeld niet meer zelfstandig de deur uit kan. Maar ik zie dat mensen daar op een gegeven moment ook weer aan wennen en zich dan weer opnieuw instellen. Al is dat moeilijk.

„Het is ook alsof het einde en het sterfproces je helemaal niets te bieden zouden kunnen hebben. Ik wil niet klinken als een sterfbedspecialist, maar ik ben bij het sterven van mijn beide ouders geweest, en wat er dan gebeurt en wat er dan gezegd wordt, het contact dat je dan hebt – ik had het niet willen missen. En ik denk dat zij dat contact met hun kinderen ook niet hadden willen missen. Als je zegt ‘klaar’, dan sluit je het onvoorspelbare van die ervaring uit. Dan wil je verdwijnen op een moment dat je nog helemaal compos mentis bent, rechtop in je bed, met de agenda met de aangekruiste datum op het nachtkastje. Ons hele leven willen we allemaal heel bijzondere dingen meemaken, verre reizen maken naar het onbekende, en dan zou je je eigen sterven of dat van je man, volkomen naar je hand willen zetten?”

In het boek leven we mee met Noor, een vrouw van in de tachtig die nadat ze het definitieve drankje heeft ingenomen, toch weer wakker wordt, in het Gloster Huis.

U hebt van haar een enigszins voorzichtige vrouw gemaakt, niet iemand die meteen woedend roept: ‘wat krijgen we nu?’

„Nee, tot haar stomme verbazing ontdekt ze dat ze nog leeft, maar dat kan niet, dus verzint ze allerlei theorieën. Daar heb ik tijdens het schrijven veel plezier in gehad: Alice in Gloster Huis.”

Ze lijkt niet heel depressief. Wel vereenzaamd.

„Dat is misschien wel het ergste wat je over iemand kan zeggen.”

Noor herinnert zich een Koningsdag van een paar jaar eerder. Ze zat op een terras een ijsje te eten aan een tafeltje, de andere drie stoelen waren leeg. „Toen er een jonge vrouw naar haar toe kwam en vroeg of die stoel vrij was, had ze gretig geknikt: Ja, natuurlijk, gaat u zitten. Maar die vrouw nam die stoel mee naar een tafel, een eind verderop. En dat gebeurde nog eens en later nog een keer tot er geen stoel meer over was.” Uiteindelijk haalt ook iemand de tafel weg. „Hij had gelijk, ik had die tafel niet echt nodig. Maar alleen op een stoel aan een tafel voelde toch heel anders dan alleen op een stoel zonder tafel. Alsof ik met mijn ijsje van de maan gevallen was.”

Van der Meer: „Ja, dat is een van de gebeurtenissen die hebben bijgedragen aan haar besluit om naar het Vaarwelhotel te gaan.”

U schrijft over oude mensen: „Wie vaak genoeg hoort dat hij deel uitmaakt van een plaag, gaat dromen van zijn eigen einde.” Gelooft u dat dat nu ook al gebeurt?

„Daar ben ik van overtuigd. Woorden hebben een enorme invloed op onze stemming. Als je almaar te horen krijgt wat je kost, als er gesproken wordt over een ‘grijze tsunami’, en hoe het nu moet in de verpleeghuizen die onderbemand zijn – natuurlijk denk je dan: daar wil ik niet in terecht komen.”

Arthur, de oprichter van Gloster Huis, denkt ergens: „In iedere situatie kan er nog iets veranderen waardoor alles in een ander licht komt te staan.” Maar dat vertrouwen hebben mensen lang niet altijd.

„Hij kan mensen niet hun levensvreugde terug geven. Maar hij kan wel omstandigheden scheppen waarin die weer kan ontstaan. En dat doet hij in Gloster Huis. Daar zijn mensen die belangstelling voor Noor hebben en lief voor haar zijn en haar aanraken. Er is een ronde tafel in de keuken waaraan ze met z’n allen eten. Ze krijgt zelf ook weer oog voor anderen. We moeten onze uiterste best doen om mensen zo’n ouderdom te gunnen en niet een waar ze als een berg tegenop zien.”

Deze broers zijn heel rijk geworden. Daarom kan Noor zo verzorgd worden.

„Ja fabels en sprookjes gaan wel vaker over koningen die de macht hebben iets groots tot stand te brengen. Ik begrijp niet dat mensen het verband niet zien tussen de opkomst van de ‘voltooid leven’- gedachte en de economie. Ik las in een recensie dat de econoom Flip de Kam in zijn laatste boek zegt: ‘Het klinkt cru, maar wanneer ouderen in de toekomst vaker voor een zelfgekozen einde opteren, blijft de zorg voor wie zo’n [laatste wil- red.] pil afwijst, beter betaalbaar.’ Ik mag dan wel van de fictie zijn, maar dit verzin ik niet.”

Zou u het erg vinden als er zo’n Vaarwelhotel kwam?

„Gruwelijk. Zo’n geruisloze nette mogelijkheid om je leven te beëindigen. Denk eens wat die doet met huwelijken, ouder-kindverhoudingen. Stel je bent weken op reis geweest en je komt terug en je moeder zegt: ik heb er eens rustig over na kunnen denken en ik stop ermee. Dan denk je toch: dat komt door mij? Ik had niet zo lang weg moeten gaan?”

Die gedachte zal je zeker even hebben. Maar aan de andere kant: ik denk niet dat ik de reden ben voor iemand anders om te blijven bestaan.

„Als iemand in de kracht van zijn leven zelfmoord pleegt vraagt iedereen in de omgeving zich af: heb ik wel genoeg gedaan, heb ik iets gemist? Iedereen weet dat het niet van die ene avond met jou afhing maar toch. Waarom zou dat bij een tachtigjarige anders zijn? Een zelfmoord heeft enorme weerslag op de omgeving. Ik zie niet in dat de zelfgekozen dood van mensen van tachtig geen effect zou hebben op de volgende generaties, geen moedeloosheid zou veroorzaken. Ik vind de oudere mensen in mijn omgeving minstens zo inspirerend als de jongere. Juist omdat ze niet meer zoveel op te houden hebben. Ik zou het heel erg vinden als mijn oudere vriendinnen het op gaven. Je kunt wel zeggen: het is mijn leven en mijn dood, maar je leeft in een verband, jouw keuzes hebben effect op anderen.”

U vindt dat het álle leven naar beneden haalt als iemand zoiets doet.

„Ja.”

En bij heel grote nood?

„We hebben een euthanasiewet. Maar daar gaat dit boek niet over, het is niet geschreven vanuit verontwaardiging over euthanasie. Die wet is er. Gelukkig wordt de palliatieve zorg ook steeds beter.”

Het is een motief in uw boek dat iets wat eenmaal in gang is gezet, moeilijk weer is te stoppen.

„Ik zie de wil niet als een dikke viltstiftstreep: een mens begint hier iets te willen en daar wordt het ingewilligd en daartussenin loopt een rechte lijn. Ik zie in mijn eigen leven en om me heen dat er heel veel grilligheid en terugdeinzen en omtrekkende bewegingen in ‘willen’ zit. En als er dan zoveel mensen bij betrokken zijn, dan kan ik me voorstellen dat iemand, zoals mijn personage Noor, denkt: die mensen in dat Vaarwelhotel doen dat allemaal voor mij, en ik heb het zelf in gang gezet en ik heb getekend dat dit was wat ik wilde en ik heb die kamer besproken, laat ik het maar doen. Terwijl de twijfel al toeslaat.”