Molenbeek – kroniek van een aangekondigde ramp

In wijken die Parijse aanslagplegers voortbrachten klinkt overal hetzelfde geluid: „Niemand heeft nog vat op ‘die jongens’.” Overal zeggen ze: „Plots waren ze geradicaliseerd”. Plots?

Molenbeek, Brussel, waar een deel van de Parijse aanslagplegers vandaan kwam. De Belgische politie zocht hier vorige week naar mogelijke jihadisten.

Brussel, 27 november

Op de hoek van de Begijnenstraat, in de Brusselse gemeente Molenbeek, wijst een buurtbewoner naar het café verderop. „Nou ja, café? Het was een coffeeshop waar criminelen kwamen.”

Café Les Béguines – De Begijntjes. Brahim Abdeslam, die zichzelf 13 november opblies op de Parijse boulevard Voltaire, was er de baas. Begin november werd het café wegens drugsoverlast door de politie gesloten. Nu zijn de vensters verduisterd.

De Marokkaanse kruidenier aan de overkant sjouwt in de vroege ochtend met bakken fruit. Hij heeft geen zin om te praten.

Brahims ex-vrouw Naima wel, maar die wist van niks. „Hij was lief en attent”, zei ze tegen Vlaamse journalisten, daags nadat bekend werd dat Brahim en andere Molenbekers verantwoordelijk zijn voor de Parijs-aanslagen. „Hij rookte veel joints en kreeg geen job, ondanks zijn diploma als elektricien. Maar dat hij een geradicaliseerde jihadist was geworden wist ik niet.”

In Brasserie Les Trappistes verderop zagen ze Brahim en zijn vrienden vaak voorbij komen. „Maar politie zie je hier nooit, de agenten zijn bang”, zegt een vaste klant. „Drie keer werd de autoruit van mijn vrouw ingeslagen en haar tas meegenomen. En elke keer zei de politie: ‘Mevrouw, wij komen niet naar u, komt u maar naar het bureau.’”

Brahim is dood en zijn broer Salah, die er in Parijs ook bij was, is voortvluchtig.

Een paar metrohaltes verder, aan het Gemeenteplein, woont broer nummer drie: Mohammed. Aan de overkant staan het politiekantoor en het Molenbeekse gemeentehuis waar Mohammed als ambtenaar werkt.

De familie had geen benul van de plannen van de broers, herhaalt Mohammed in ieder interview.

Om de hoek, op nummer 16 aan de Graaf van Vlaanderenstraat, woont Mohamed Abrini. Hij werd samen met Salah door een bewakingscamera gefilmd bij een tankstation langs de snelweg naar Parijs. Sindsdien is hij spoorloos.

De Abdeslams en de Abrini’s, hun familie en hun vrienden – „ze hadden uitzicht op de bureaus van de burgemeester en het politiekorps!” meldt de New York Times met nauwelijks verholen verbijstering. Allemaal bijeengepakt op een vierkante kilometer, en niemand had iets in de gaten.

De ex-vrouw wist van niks, broer en ambtenaar Mohammed wist van niks en de politie was afwezig.

„Molenbeek, je toont alles wat er verrot is aan het Europa van sociale achterstelling en racisme”, schreef een geëmotioneerde Abdelkader Benali. Volgens de schrijver, zoon van een islamitische slager in Rotterdam, mag Europa zich niet „onverschillig” afkeren. „Molenbeek, we moeten je leren begrijpen.”

De ochtend na de Parijs-aanslagen ga ik voor de krant op pad. Twee weken door Europa-in-shock. Van Brussel naar de migrantenwijken van Parijs en Chartres en weer terug. En overal klinkt hetzelfde: „Je kunt niet in hun hoofd kijken. Plots waren ze geradicaliseerd. Niemand heeft nog vat op ‘die jongens’.”

Parijs/Saint-Denis, 14 november

In Benali’s verrotte Europa zijn nog altijd geen grenscontroles als ik van Brussel naar Saint-Denis rij.

Aan de rand van de Parijse voorstad staat het Stade de France waar de terroristen de avond ervoor, tijdens de voetbalwedstrijd Frankrijk-Duitsland, aanslagen hadden gepland.

Mon premier Coran’ staat in de etalage van de Librairie Samy. De kiosk is gespecialiseerd in kinderboeken.

„De Franse burgerij is hier allang vertrokken, nu leven wij er”, zegt schoenmaker Mohammed Souadje. In 1965 kwam hij vanuit Algerije naar Frankrijk. In een halve eeuw heeft hij het land zien veranderen „Frankrijk is politiek en etnisch verscheurd. Front National voedt de haat. En wij, in Saint-Denis, leven in een explosief getto.”

Voor bar tabac Au Maryland voeren vijf jongens in het Arabisch een verhitte discussie. „Putain, klootzak, alsof jíj niet weet waar die terroristen mee bezig zijn?” zegt de oudste die niet met zijn naam in de krant wil.

„President Hollande heeft erom gevráágd”, zegt hij. „Dit krijg je ervan als je de bevelen uit Washington opvolgt en samen met de Amerikanen moslims gaat bombarderen.”

Vier dagen na mijn bezoek vindt de Franse politie in Saint-Denis de schuilplaats van Abdelhamid Abaaoud, het Molenbeekse brein achter de aanslagen. Abaaoud komt in het vuurgevecht om.

Chartres, 15 november

„‘Mam, het is op tv, het is een vent uit onze wijk’, schreeuwde mijn zoon.” Annabelle Fromage laat haar hond uit in de wijk La Madeleine in Chartres, een provinciestad op tachtig kilometer van Parijs. La Madeleine is de thuisbasis van Ismaël Omar Mostefai, een van de terroristen die zich opblies in de Parijse concertzaal Bataclan. Een dag na de aanslag in de club vond de politie in het bloedbad een vinger, waarvan de afdruk leidde naar Mostefai. Hij is een bekende van de politie, wegens kleine vergrijpen in het verleden.

„Daar hebben we er hier heel veel van”, zegt Fromage, een vijftiger die werkt voor een telefoniebedrijf in Chartres. „Maar dat deze buurt ook een gast als Mostefai heeft voortgebracht is een schok. Van diefstalletjes naar zelfmoordaanslag, wat gaat er in zo’n hoofd om?”

„Met stomheid geslagen”, zegt Mostefai’s broer die zich later bij de politie meldde. Hij had geen benul wat zijn broer bezielde.

Tussen de flats van La Madeleine, gebouwd in de jaren zeventig als ‘sociale droom’ aan de rand van Chartres, patrouilleren drie agenten. „Het is een mooie, rustige dag”, zegt de agent achter het stuur. „Maar onder die kalmte broeit de onrust.”

Brussel, winter 1987

De camera gaat in vogelvlucht over de besneeuwde daken van Molenbeek, in een Panorama-reportage van de Vlaamse televisie. Het is 1987, ruim een decennium nadat de gemeente is verminkt door de aanleg van een metrolijn. De verloedering in Molenbeek is compleet. Wie het geld heeft slaat op de vlucht. De achterblijvers zijn allochtonen, vooral Marokkanen.

„Hier wonen mensen die niet meetellen”, zegt Johan Leman van integratiecentrum Foyer. „Als we niks doen gaat de derde generatie revolteren. Zij zullen het niet langer aanvaarden dat ze in een getto leven.”

Vandaag, dertig jaar later, werkt Leman nog altijd in Molenbeek. Van de huidige regering krijgt Foyer „nul subsidie”, zegt hij.

Brussel, januari dit jaar

Een paar dagen na de aanslag op Charlie Hebdo in Parijs verschuift de aandacht naar het Belgische Verviers. Een cel van ex-Syriëstrijders houdt zich er schuil en bereidt aanslagen voor. In een vuurgevecht met de politie komen de verdachten om. Het spoor leidt naar Molenbeek, bijgenaamd Klein Marokko.

Het doet pijn als ik mijn notitieboekje van toen er weer bij pak:

„De boodschap van onze samenleving aan de jeugd hier is: ‘Wij hebben jou niet nodig’,” zegt Dirk De Block, voormalig jeugdwerker in Molenbeek. „We maken van die gasten dynamiet.”

Bachir M’rabet, medewerker van Foyer, voelt zich „bedrogen” door de politiek. „Ondanks alle beloftes om in scholing te investeren keldert het niveau van onderwijs hier in rap tempo”, zegt M’rabet. Jongeren, geboren uit Maghrebijnse ouders, „spreken Frans bij benadering, Arabisch bij benadering, maar geen enkele taal beheersen ze écht.” Kansloos dus tijdens sollicitaties, zegt M’rabet. „En in de moskee zie je ze niet. Als ze radicaliseren, dan gebeurt dat op internet.”

Yohann Fleury geeft les aan het Institut de la Providence, een katholieke school in de ‘arme banaan’ zoals de Brusselaars de gordel van armoede om hun stad noemen. „Sluipenderwijs is het hier fout gelopen. Ze zijn hier geboren, ze wonen hier al 15 jaar, maar ze zeggen ‘fuck you België’”. Ze hebben niets om trots op te zijn, zegt Fleury. „En wij hebben de ernst daarvan te laat ingezien.”

Brussel, nu

„Het is een gif, het werkt als bij een verslaving, het is een sekte.”

Saliha Ben Ali is treurig, maar vooral woedend. Twee jaar geleden stierf haar zoon Sabry in Syrië. Toen ze op het nieuws hoorde dat Bilal Hadfi onder de terroristen was die zichzelf opbliezen bij het Stade de France, belde ze meteen met Bilals moeder. „Wij kennen elkaar goed. Sabry en Bilal gingen naar dezelfde Nederlandstalige kleuterschool. In de klas zaten ze samen te bibberen als Sinterklaas kwam.”

Ben Ali geeft nu ondersteuning aan ouders van kinderen die voor IS naar Syrië trokken. In Brussel runt ze de Belgische tak van SAVE – Society Against Violent Extremism. „Mijn zoon was in amper drie maanden geradicaliseerd. Bij Bilal zal het wel hetzelfde zijn gegaan. Geïndoctrineerd door criminelen die misbruik maken van onze zwakte.”

Een volgende kansarme en gediscrimineerde generatie groeit op, zegt ze.

„Een micro-samenleving in de samenleving. En nu zijn Belgische politici plots heel geschokt! Het rot al zo lang, maar men deed niets.”