Koddige gedichten, kwaadaardige pamfletten

Jan Schenkman geldt als de ‘vader’ van Zwarte Piet: in 1850 introduceerde hij hem als de vriendelijke bijrijder van Sint. Maar wat vond hij echt?

En nog steeds weten we niet waar Zwarte Piet nou precies vandaan komt. In november 1850 verscheen een prentenboekje van de Amsterdamse onderwijzer Jan Schenkman waarin een waardige Sint Nicolaas opeens een vriendelijke bijrijder had: een donkere secretaris met een wijde Turkse broek. Een vondst van Schenkman, neemt men aan, maar het kan ook uitgever G. Theod. Bom zijn, of de – onbekende – tekenaar. Maar opmerkelijk wás het, want veel verlichte Nederlanders probeerden in die tijd juist definitief een eind te maken aan het kinderlijk geloof in Sinterklaas.

De vernieuwing van Schenkman/Bom was drievoudig: Sint Nicolaas kreeg een feestelijke inhaling, zoals koningen en pausen, hij had een bedrijfje met inkoop en boekhouding en hij had een bediende. Het strooien, rijden over de daken, koekeloeren door de schoorsteen, dat was er al.

Twee jaar geleden is in deze rubriek opgemerkt dat al in 1842 dezelfde vernieuwing was gepresenteerd. Toen publiceerde G.J. d’Ancona de St. Nicolaas almanak voor brave kinderen met plaatjes die, volgens de toenmalige advertenties, onder meer voorstelden: ‘het Sint Nicolaas-Kantoor’ en ‘zijne inhaling’. George d’Ancona was een zoon van de joodse huisarts en vroedmeester Gerson d’Ancona die praktijk hield op de Amsterdamse Nieuwendijk. George was óók onderwijzer, eerst in Leiden, later in Rijse bij Brussel. Na de Belgische opstand kwam hij terug, in 1833 vinden we hem op de Herengracht. Hij is dan bevoegd tot het geven van privaatonderwijs in Frans, Duits en Nederlands. Hij had een boekhandel annex uitgeverij, maar gaf uitsluitend eigen werk uit: spotschriften, hekeldichten, boertige dichtstukken, bruiloftsliederen, kant-en-klare toespraken en toasten, pamfletten en kinderboekjes. Tegen de stroming in probeerde hij Sint Nicolaas weer levend te maken. Al in 1840 publiceert hij een Brief van St Nicolaas aan zijne Vriendjes en Vriendinnetjes, later komt hij met een ‘Rekwest’ van Nederlandse kinderen aan Sint Nicolaas die dan prompt een ‘Eigen antwoord’ geeft, er komt een ‘vermaakelijk St.Nicolaas-spel’ en nog meer. En in 1842 dus die almanak met ‘inhaling’ en ‘kantoor’. Het was uniek in die tijd.

Kende onderwijzer Schenkman het werk van onderwijzer d’Ancona? Reken maar. Advertenties voor hun producties stonden vaak op dezelfde pagina van het Handelsblad, de winkels van Bom (Kalverstraat) en d’Ancona (Damstraat) lagen vlakbij elkaar. En uit een inventarisatie blijkt dat Schenkman in de loop van de jaren alle ideeën van d’Ancona overnam: de brief, het rekwest, het spel, maar ook het gebruik van ‘plat proza’, de productie van gelegenheidsgedichten, bruiloftsliederen, al die toasten en de aandacht voor joods Amsterdam. Er is een onthutsende overlap. Het bleef onbestraft want d’Ancona was in oktober 1850 gestorven.

Ach, denkt de lezer, Schenkman was een broodschrijver met een enorm gezin, dan moet je weleens leentjebuur spelen. Dat de bediende zwart was heeft-ie mooi zelf bedacht. En de meeste Klaaskenners zien er geen kwade bedoelingen achter.

Dat is nu juist de kwestie. In de Nederlandse kinderliteratuur van 1800-1850 zijn zwarte bedienden helemaal niet zó zeldzaam. En het vreemde is dat de tandem Bom/Schenkman zich altijd zo weinig positief uitlaat over de zwarte medemens. Die wordt opvallend vaak genoemd, vooral in ABC-boekjes, maar nooit in gunstige zin.‘Ik hou van geen zwarten, al hou ’k van een ‘moor’. ‘N is een neger nog zwarter dan roet.’ En in Arlequin’s bont A.B.-boek (1860) onder de N van noot: ‘Zie wat is zij blank van binnen, tienmaal blanker, dat ’s gewis, dan die Afrikaansche neger, met zijn dikke lippen is. Hij draagt vast zijn Zondagspakje!’ Het zijn maar een paar voorbeelden. Waarom voorzien mensen met zo’n minachting Sint Nicolaas van een vriendelijke bediende die zwart is?

Het lijkt velen ontgaan dat Schenkman niet alleen bij de deftige G. Theod. Bom publiceerde, maar ook bij uitgever J.A. Schuurmans die bij hem in de Anjeliersstraat woonde. Bij Bom deed Schenkman vooral de mooie kinderboeken, bij Schuurmans tapte hij uit een ander vaatje. Voor Schuurmans schreef hij snaakse, koddige en boertige gedichten, pikante bruiloftsliederen, toasten en kwaadaardige pamfletten. En hij serveerde er zijn joods repertoire in zogenaamd ‘Joodsch dialect’. Het is geestig bedoelde correspondentie tussen een joodse Amsterdammer die in de Krimoorlog vecht en zijn moeder in de Batavierstraat. De Jodenbrieven, zoals Schuurmans ze noemde, beleefden druk op druk. Het Joods Historisch Museum rangschikt de Levie Zadok-brieven gewoon onder antisemitisme. En met recht.

Het duurt even voor de buitenstaander doorheeft wát Schenkman schreef voor Schuurmans, want het gebeurde anoniem. Maar de gevierde onderwijzer blijkt ook de auteur van De bruilofts-nacht te Sint Pancras en de Nieuwe huwlijks-predikatie en hoogstwaarschijnlijk ook van de Geheime gids voor ongehuwde dames en Amor in zijn lustprieel. Pornografie, weet de werkgroep De Negentiende Eeuw. Hoe vies Schenkmans porno was viel niet te achterhalen, deze boekjes zijn nog niet gescand. Maar vast staat: Schenkman was niet de man die we dachten dat hij was. En steeds sterker wordt het vermoeden dat de zwarte knecht is verzonnen door de onbekende tekenaar en dat Bom en Schenkman het maar hebben laten passeren.