De Nationale Wetenschapsagenda is af: 12.000 vragen van burgers aan de wetenschap

Burgers hebben liefst 12.000 vragen gesteld aan de wetenschap. Opvallend veel gaan er over de oorsprong van het heelal. En over de zin van het bestaan.

Daar ligt hij, op tafel. De Nationale Wetenschapsagenda. Een boek van 216 pagina’s dat, zo is de bedoeling, de richting van het wetenschappelijk onderzoek in Nederland mee gaat bepalen. Gisteren is hij verschenen.

Heel veel is er over te doen geweest. Alleen al het feit dat burgers hebben kunnen meebepalen wat wetenschappers moeten onderzoeken: wat een onzin, reageerden academici.

„Er was veel scepsis”, zegt historicus en terrorismedeskundige Beatrice de Graaf (39) in het pand van de Vereniging van Universiteiten in Den Haag. Zij heeft in het afgelopen jaar samen met wiskundige en doorgewinterd bestuurder Alexander Rinnooy Kan (66) de totstandkoming van deze agenda gecoördineerd.

Het is in sneltreinvaart gegaan, zeggen ze beiden. Nog maar een jaar geleden kondigde minister Jet Bussemaker (PvdA) van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan dat er een Nationale Wetenschapsagenda zou komen. De burger zou er een rol in spelen. En de agenda moest nadrukkelijker aansluiten bij die van Brussel, die prioriteit geeft aan zeven maatschappelijke uitdagingen, waaronder vergrijzing, klimaatverandering en ‘Europa in een veranderende wereld’. Met de bedoeling om nóg meer Brussels onderzoeksgeld binnen te halen (zie inzet).

Zo startte de Nationale Wetenschapsagenda een jaar geleden. Er werd een – gelijknamige – organisatie opgetuigd die in de eerste maanden van het jaar bijna 12.000 vragen verzamelde. Verrassend veel. Al die vragen zijn daarna door vijf wetenschappelijke expertteams gescreend en gebundeld in 140 zogeheten clustervragen. Er zijn daarna nog conferenties, workshops en festivals georganiseerd. En nu is die agenda er. Met vijf overkoepelende, brede thema’s: ‘Mens, milieu en economie’, ‘Individu en samenleving’, ‘Ziekten en gezondheid’, ‘Technologie en maatschappij’ en ‘Bouwstenen van het bestaan’.

Religieus gen

Wat De Graaf bijzonder is opgevallen, zijn de vele zingevingsvragen. Vanuit haar discipline, de geesteswetenschappen, was er vooraf veel scepsis, zegt ze. „Er zullen wel veel vragen komen over gezondheid, was het idee.” Dat is inderdaad zo. Maar er zijn ook vragen van heel andere aard. „Hoe zit dat nou met het religieuze gen, wilde iemand weten”, zegt De Graaf. En zo is er bijvoorbeeld de vraag: is het universum een computer; is er een programmeur? Of deze: kan het bestaan van een onstoffelijke ziel empirisch worden vastgesteld met behulp van hersenscans bij bijna-doodervaringen?

Maar zijn de vijf overkoepelende thema’s niet heel erg breed? Gaan ze echt tot verschuivingen in het Nederlandse onderzoekslandschap leiden? „Ik hoop op interessante combinaties van disciplines”, zegt Rinnooy Kan diplomatiek. Want dat is wat beide voorzitters vooral graag willen met de agenda. Dat hij wetenschappers over de grenzen van hun disciplines laat kijken. Dat hij partijen bij elkaar brengt die elkaar nog niet kennen. „Het moet de verbeelding prikkelen”, zegt De Graaf.

Daarom zijn er in de agenda ook zogeheten routes opgenomen. Door te grasduinen door de 12.000 vragen kunnen mensen nieuwe combinaties – routes – van vragen maken. Of, zoals het in het boek staat omschreven: „een deelverzameling van samenhangende vragen rond een complex thema”. Voorbeelden zijn: veerkrachtige en zinvolle samenlevingen, personalized medicine, big data verantwoord gebruiken. In het boek staan 16 voorbeelden opgesomd. Onder elk voorbeeld staan de vaak tientallen organisaties – universiteiten, hogescholen, onderzoeksinstituten, bedrijven – waarvoor zo’n thema van belang kan zijn. Rond die 16 thema’s gaat de Nationale Wetenschapsagenda workshops organiseren. De vermelde instellingen worden daarvoor uitgenodigd. De eerste workshop, over voeding, is al geweest. De rest volgt in het komend half jaar. Het betekent meteen dat minimaal over een half jaar pas duidelijk wordt of de wetenschapsagenda enig effect heeft op het onderzoek dat organisaties uitvoeren. Maar waarschijnlijk pas veel later.

Het concept van de routes was vooraf niet voorzien, zegt Rinnooy Kan. Het idee is al gaandeweg ontstaan en uitgewerkt. „We ontdekten tijdens de conferenties dat het nuttig en vruchtbaar is om mensen breed om zich heen te laten kijken.”

En, benadrukt Rinnooy Kan, de zestien nu opgenomen routes zijn „exemplarisch”. Als partijen zelf een workshop rond een andere route willen opzetten, des te beter. Om dat te stimuleren heeft de Nationale Wetenschapsagenda een website gelanceerd – sinds gisteren live – waar mensen door alle vragen kunnen grasduinen. Ze kunnen de voor hen (of voor hun organisatie) belangrijke vragen bundelen en verzamelen. Via de website is vervolgens ook te achterhalen met welke partijen er overlap is. Contact is dan zo gelegd.

Nog een onverwachte uitkomst van het afgelopen jaar vindt Rinnooy Kan het zogeheten In Gesprek. Dit zijn workshops waarbij de stellers van de verzamelde vragen in gesprek kunnen met deskundige onderzoekers. Er zijn al meer dan 70 van dergelijke bijeenkomsten geweest. En er zullen er meer volgen. „Zo doen we iets terug voor de vragenstellers”, zegt Rinnooy Kan.

Verder ontwikkelt de Nationale Wetenschapsagenda ook lesmateriaal voor middelbare scholen. Die leert scholieren met name hoe ze een goede vraag moeten stellen. Er zit ook een competitie aan vast. Scholen kunnen een film maken rond een zelfgekozen vraag. Ergens halverwege volgend jaar is er een festival in museum Nemo in Amsterdam, waar scholen de meest prangende en spannende vragen kiezen.

Dit is waar het de beide voorzitters om gaat: de verbeelding prikkelen. Jonge mensen aanzetten tot nadenken. Met klimaatverandering in het vooruitzicht, de groei van de wereldbevolking, vluchtelingenstromen, terrorisme. De Graaf „Nadenken. Verbeelding. Het is nu meer van belang dan ooit.”