Het oorlogsverleden van de paardenmiljardair

Léon Melchior (1926-2015) was een gevierd ondernemer, onder meer vermaard om zijn raspaarden. Dat hij SS-lid was geweest was bekend, maar nog niet wat hij in de oorlog precies had gedaan.

Leon Melchior in 1994 foto freddy rikken

Achttienhonderd mensen bezochten vorige week de uitvaartplechtigheid van Léon Melchior, overleden op 11 november. Op zijn eigen landgoed Zangersheide in het Belgische Lanaken, net over de grens bij Maastricht, stond een voor de gelegenheid opgerichte tent. Het orkest van André Rieu speelde. Mannenkoor de Mestreechter Staar zong. Sprekers, onder wie Gerd Leers, loofden de zakelijkheid en de menselijkheid van de overledene.

De in Maastricht geboren Melchior, oprichter van 53 ondernemingen, had volgens zakenblad Quote een vermogen vergaard van 1,3 miljard euro. Zangersheide werd wereldberoemd om de raspaarden die zijn stoeterij afleverde. Ook als belegger had Melchior veel succes. Hij stak onder meer geld in DSM en stond mede aan de basis van brillenketen Hans Anders. Tot tweemaal toe redde hij de Maastrichtse voetbalclub MVV van een financiële ondergang.

Melchior was officier in de Belgische Leopoldsorde, maar ontving in Nederland nooit een koninklijke onderscheiding. Dat kwam waarschijnlijk doordat hij in de oorlog had gevochten in Duitse dienst. „Het was meer een kwajongensstreek”, zei de met hem bevriende joodse ondernemer Benoit Wesly daarover na Melchiors dood in Dagblad De Limburger. Zelf vertelde hij in 1986 aan Elsevier dat zijn keuze als puber voor de SS vooral voortkwam uit zucht naar avontuur. „Ik zou me met hetzelfde gemak bij de Amerikanen hebben aangesloten als die in de buurt waren geweest.” De dossiers van toen bleven achter slot en grendel – pas na overlijden zijn ze in te zien. Een bezoek aan het Nationaal Archief maakt duidelijk dat het oorlogsverleden van Melchior net iets complexer in elkaar zit.

Kort na zijn arrestatie in 1945 omschreef een justitierapport hem als „het type van den model Hitler-soldaat, zooals deze vaker in de goed verzorgde Duitsche geïllustreerde propagandabladen als het symbool van jeugd, vastberadenheid, wilskracht en strijdvaardigheid” werd afgebeeld. Enkele maanden later was de negentienjarige ex-officier van de Waffen SS door het harde regime in kamp Vught gebroken. „Zelfs een optimist kan genezen worden”, schreef hij aan zijn moeder. Wat moest er worden van zijn „toekomstdromen van carrière, van geld verdienen om eindelijk een gezin” te stichten zonder „spannende verhoudingen”.

Zo’n getroebleerd familieleven kende Melchior van thuis. Moeder leed onder het vreemdgaan van haar man. Maar een scheiding zou haar aan de bedelstaf brengen. Léons aanmelding bij de SS begin 1943 (hij was net zestien) was haar ticket naar vrijheid. Zij kreeg 250 gulden tekengeld en daarna maandelijks 45 gulden, extra kolen en eten. In het najaar van 1943 kon ze scheiden.

Zoon Léon herstelde toen al in een Duits lazaret van een granaatsplinter in zijn linkerdij, net onder de lies. Na een veeleisende opleiding, waarin hij onder meer had geleerd met zware mitrailleurs om te gaan, had hij met de pantserdivisie Wiking aan het Oostfront gevochten, voordat hij bij Charkov gewond was geraakt. Ondanks zijn jeugdige leeftijd mocht hij naar de officiersopleiding van de SS in Bad-Tölz. Na afronding kwam hij in het vroege najaar van 1944 terecht in een compagnie met verder slechts leerlingen van Adolf Hitler Schulen en Nationalpolitische Erziehungsanstalten, hersenspoelinstituten van de ergste soort. Toch deserteerde hij kort daarna. Hij wilde wel strijden tegen de bolsjewisten maar niet tegen de Amerikanen, zei hij in verhoren.

Melchior vond onderdak bij bekenden in Den Haag en later op de Veluwe. Naar eigen zeggen deed hij daar nog klussen voor het verzet, maar dat werd nooit precies onderzocht.

Na de bevrijding meldde hij zich zelf bij de Nederlandse autoriteiten en op 30 september 1946, na dertien maanden opsluiting, verscheen hij voor de rechter. Die veroordeelde hem tot een jaar voorwaardelijk en ontzette hem voor tien jaar uit zijn actieve en passieve kiesrecht. De relatief lichte straf had te maken met Melchiors leeftijd. De rechter geloofde bovendien in zelfopoffering vanwege de verziekte gezinsomstandigheden.

Volgens de functionarissen die na de veroordeling toezicht moesten houden dankte Melchior veel aan jezuïetenpater Jan van Kilsdonk (later een van de boegbeelden van de progressieve kerk), die hem „op een voetstuk heeft geplaatst”. De aalmoezenier rapporteerde in maart 1946: „Deze jongen schijnt mij van karakter zeer betrouwbaar, onbedorven, wordt volkomen beheerst door moederliefde, is zeer begaafd en bruikbaar voor de samenleving.” Begeleiders noemden Melchior echter stug, verbeten en verwaand. „Dit jongmens is ideëel fout. Nog steeds fanatiek.”

Na zijn vrijlating werd hij eerst mijnwerker maar korte tijd later al boekhouder bij een aannemer. Een toezichthouder noemde hem „een streber” die kost wat kost leiding wilde geven. Toch luidde het advies eind 1949 dat het toezicht „slapend” kon worden. „Nog even gedecideerd, kort aangemeten en fanatiek, doch van goed gedrag.”

In de wederopbouw legde Melchior de basis voor zijn latere fortuin. Met geleend geld startte hij begin jaren vijftig als aannemer. Dankzij zijn zakeninstinct groeide zijn imperium snel. Humor had hij ook: zijn Belgische en een Duitse vestiging noemde hij Balthasar en Kaspar – naar de andere twee koningen. Begin jaren zeventig, nog voor de crisis, verkocht hij zijn bouwconglomeraat. Even daarvoor was hij om fiscale redenen verhuisd naar net over de grens. Niet veel later zou hij zich laten naturaliseren tot Belg.