Geef liever een hand dan een pil

De hedendaagse dokter is een aan diagnose verslaafde, op interventie gerichte specialist. Laat mensen rustig en waardig sterven, zegt

Bert Keizer.

Eén van de rampzaligste ontmoetingen in de moderne geneeskunde is die van een zwakke, oude, weerloze man aan het einde van zijn levensweg en een jonge, enthousiaste dokter aan het begin van haar carrière.

Sinds vele jaren ken ik meneer de Vries. Zijn vrouw was in ons verpleeghuis opgenomen met de ziekte van Alzheimer. Na haar dood verloor hij geleidelijk zijn geestelijke scherpte. Hij begroette me altijd monter en als ik vroeg hoe het ging zei hij steevast: „Pijn in me portemonnee”.

Op een dag wordt hij na alarm van de buurman thuis op de grond aangetroffen. Hij belandt bij de cardioloog met een zeer traag hartritme. Men besluit een pacemaker in te brengen. Nog steeds in de war wordt hij een paar dagen later weer naar huis gestuurd. Waar hij een dag later door de thuiszorg naakt op de vloer in zijn ontlasting wordt aangetroffen. De huisarts stuurt hem opnieuw naar het ziekenhuis. Nu krijgt hij er ook nog een darmstilstand bij en een longontsteking, verder is zijn kalium zorgwekkend laag. Na herhaalde verzoeken wordt meneer de Vries na zes dagen eindelijk overgeplaatst naar ons verpleeghuis. Geen bril op, gebit nergens te vinden, maar als ik vraag of hij pijn heeft, verstaat hij me zowaar en murmelt: „Ja, in me portemonnee.” Hij is onrustig, ik geef hem een sterk slaapmiddel en later die middag een katheter. Twee uur na binnenkomst is hij overleden.

Dit speelde in januari 2015. Ik moest na deze martelgang denken aan de woorden van Steven Weinberg: „In politics you can make horrible people do horrible things, but it takes religion to make decent people do horrible things.” Ik zou daar aan willen toevoegen: in geneeskunde lukt dat ook heel aardig. Er is flink wat mis met onze houding ten opzichte van de wetenschappelijke analyse van de gebeurtenissen in ons lichaam. Of om het wat scherper te stellen: de geestloze aanbidding van deze analyse. Door de gebeurtenissen in ons lichaam wetenschappelijk te verklaren is elke morele betekenis uit ziekteprocessen verdwenen. Het lichaam wordt nog slechts gezien als een biochemische werkplaats. Moleculen hebben geen bedoelingen.

Hoe komt het dat die aanbidding van de wetenschappelijke analyse zo veel schade berokkent? Wie ernstig ziek is, of erger nog, wie sterven moet, die wil een antwoord op de vraag: Waarom gebeurt dit? Een hedendaagse arts zal zeggen: U gaat dood omdat uw hart niet meer pompt, of omdat uw nieren er mee ophouden, of omdat uw longen zo vol kanker zitten dat u niet meer kunt ademen.

Maar wie sterft wil een antwoord op de vraag: waarom moet MIJ dit overkomen? Dat is de meest tergende vraag die we kunnen stellen en artsen doen net alsof ze het antwoord hebben door in hart, longen en nieren te blijven zoeken. Maar Jezus zei niet voor niets: Wie in nieren vraagt, die zal in nieren geantwoord worden.

De zegeningen van de moderne geneeskunde, anesthesie, antibiotica, insuline, chirurgische ingrepen, psychomedicatie, openhartoperaties enzovoorts, hebben geleid tot de hedendaagse diagnoseverslaafde, op interventie gerichte dokter. Het ziekenhuis is een diagnosefabriek geworden waar men zich slechts schoorvoetend zorgend opstelt. Kijk eens naar de bouw van onze ziekenhuizen: tien verdiepingen diagnostiek en therapie, of de illusie van therapie. Alles gericht op: wat is het, wat is het?

En op de begane grond één stiekeme ruimte, eufemistisch weggemoffeld onder de naam STILTECENTRUM, waar een mens zich eindelijk kan plaatsen tegenover die andere vraag: en hoe is het voor mij om het te hebben? Dit schijnbaar eindeloze succes van de wetenschappelijke analyse heeft tot gevolg dat geest en lichaam in ons vak volkomen uiteengedreven zijn. Wij hebben aan de ene kant Biochemie (als verzamelterm voor alle somatische interventies) en aan de andere kant Aandacht (als troost voor de lijdende geest). Naarmate de Biochemie meer kon, was er minder Aandacht nodig. Biochemie neemt nu de plaats in van Aandacht, ook als het niets oplevert.

Artsen hebben geen idee hoeveel diagnostische manoeuvres in de gedaante van bloedbepalingen, röntgenfoto’s, scans, ECG’s, EEG’s, EMG’s, een verwrongen vorm van Aandacht zijn, die niets te maken heeft met rationele geneeskunde. Rationele geneeskunde is die discipline die zich bij elke handeling afvraagt: wat is de kans dat de patiënt hierdoor een beter leven krijgt?

Een internist is niet voorbereid op een sterfbed als dat van meneer de Vries. Alle kennis van de internist blijkt in zo’n situatie niets voor te stellen. Er bestaat geen enkel laboratoriumonderzoek met als uitslag: ‘Stop verdere diagnostiek’. Op een longfoto lees je nooit: ‘Laat die man nou met rust’ en op een hersenscan heb ik nog nooit zien staan: ‘Roep er alsjeblieft niet nog meer collega’s bij’.

De dokter moet in dit stadium weg durven blijven van diagnoses. Want het obsessieve vasthouden aan somatische diagnostiek betekent een even fanatieke vermijding van de persoonlijke ontmoeting. Een jonge internist zei hierover laatst tegen mij: „Ik heb hier vijfentwintig jaar voor doorgeleerd of liever, doorgeploeterd, en dat zou als resultaat moeten opleveren dat ik gevoelvol een hand weet vast te houden?” Mijn antwoord is: als je geen hand wilt vasthouden, dan blijf je scannen tot halverwege de crematie.

En achter de diagnoses spuiende ziekenhuiswereld doemt de wereld van onderzoek op. Nog meer biochemie. Leken hebben geen idee hoeveel medisch onderzoek gedaan wordt dat volstrekt waardeloos is door onderzoekers die elkaar en subsidiegevers ervan overtuigen dat het echt wel ergens over gaat. Het valt nauwelijks te bevatten wat er geofferd wordt aan geld en tijd op het altaar van Onderzoek. Het is noodlotsbezwering, je vuist schudden tegen een vulkaanuitbarsting.

Voor 1975 stonden er rond de 150 artikelen over dementie in medische tijdschriften. Dertig jaar later waren dat er 45.000. Alle suggesties die zijn komen opwellen uit die 45.000 artikelen zijn waardeloos gebleken.

Miljarden, werkelijk miljarden, worden opgestookt aan zinloos getrut in laboratoria, waar duizenden mensen op excelleren, debatteren, congresseren en promoveren, maar waarmee niet één demente man of vrouw iets is opgeschoten.

Is het niet ongelooflijk dat we op het punt van dementie uit medische hoek tot nog toe niets kregen aangereikt dan machteloze biochemie? Wie in nieren vraagt…

Is er een uitweg mogelijk? Oudere artsen die een keer hebben gezien hoe een geliefde moest zien te sterven ondanks ernstige medische hinder, hebben dikwijls hun les geleerd en worden behoedzamer bij het inzetten van medische technologie. Maar zeker in de avond en nacht loopt er in het ziekenhuis veel te weinig grijs haar rond.

Een tweede oplossing is binnen het ziekenhuis één arts de baas te maken. Dat wil zeggen: zij kan diagnostiek inzetten of weigeren en dat niet alleen op basis van anamnese en lichamelijk onderzoek, maar ook op basis van het levensverhaal van de zieke mens.

Er is nog een derde ontsnappingsmogelijkheid en dat is een uitdrukkelijk besef van wat palliatieve zorg inhoudt. Palliatieve aandacht zou niet pas moeten beginnen als de orgaangerichte geneeskunde een trieste ravage heeft aangericht die eigenlijk alleen nog met morfine en dormicum valt op te lossen. Palliatieve zorg betekent dat je mensen als meneer de Vries niet naar het ziekenhuis stuurt. Een arts had in samenspraak met hem een beleid kunnen opstellen zodat hij thuis of in een verpleeghuis palliatief behandeld kon worden, waarna hij na enkele redelijk comfortabele dagen de geest had kunnen geven in plaats van na veertien dagen gemartel in een ziekenhuisbed. Dat had ook nog tienduizenden euro’s gescheeld.

Palliatieve aandacht vereist een helder en dapper besef van de armoede van somatische geneeskunde in sommige situaties. De hospicebeweging is het summum van palliatieve zorg. Die beweging is ontstaan omdat je voor goede stervenszorg uit het ziekenhuis moet zien weg te komen. Ik hoor nooit dat specialisten in ziekenhuizen dat eigenlijk als iets schandaligs ervaren, wat het natuurlijk wel is.

Ik vrees dat het ziekenhuis nog heel lang de verkeerde plek zal blijven voor mensen in de laatste levensfase. Dat is niet zo gek als je ziet wat mijn toekomstige collega’s in hun opleiding aangeboden krijgen: transcranial magnetic stimulation tegen depressie, minimally invasive surgery, neuro-imaging van psychiatrische ziektebeelden, enzovoorts. Jonge artsen willen met de geneeskunde aan de haal om de mensheid te redden.

Nee, ik ben niet optimistisch over de palliatieve aandacht in de hedendaagse geneeskunde. Daarom eindig ik met de paradoxale wens dat u wel oud mag worden, maar niet ziek. En mocht u wel ziek worden, dan hoop ik dat het ziekenhuis niet alleen maar een akelige hindernis is op weg naar uw graf.

Maar misschien hebt u geluk en mag u direct vanuit huis naar het kerkhof.