Column

Even voorstellen: een stille kracht achter de keuzes van Mark Rutte

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen? Deze week: Jan Anthonie Bruijn, voor de derde keer auteur van het VVD-verkiezingsprogramma.

Ofwel: een stille kracht achter Mark Rutte stelt zich voor.

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Tijdens de algemene beschouwingen in de Eerste Kamer, vorige maand, zag ik een VVD-senator goedmoedig op Marleen Barth afstappen. De fractievoorzitter van de PvdA had zojuist gesproken.

„Goed verhaal had je”, zei de VVD’er. Marleen Barth straalde.

De liberale senator legde daarop lichte spot in zijn stem. „Ik vond je alleen wel erg links”, zei hij. Prompt schaterde hij het uit. Barth stond kort op het verkeerde been. Daarna schaterde ze mee.

Het moment was typerend, zeggen bekenden, voor VVD-senator Jan Anthonie Bruijn (57). Een opgeruimd type met talent voor introverte scherts. Politiek kan nu eenmaal niet zonder meningsverschillen, vertelde hij toen ik hem laatst op zijn werk opzocht. „Zonder wrijving geen glans”, zei hij. „Maar je moet het niet te zwáár maken.”

Ik had belet bij hem gevraagd omdat hij, de derde keer op rij, de commissie leidt die het verkiezingsprogramma van de VVD samenstelt. Het stuk waarmee Mark Rutte, uiterlijk in 2017, voor de derde keer als lijsttrekker opgaat.

Een opmerkelijke vertrouwensrol voor een medisch specialist en hoogleraar (immunopathologie), verbonden aan het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC), die buiten de VVD amper bekendheid geniet. Een man die pas in 2012 tussentijds in de Eerste Kamer kwam – toen Jos van Rey de senaat zonder bloemen moest verlaten.

Ik wilde ook met Bruijn praten omdat verkiezingsprogramma’s nog zo weinig aandacht krijgen. Wie oplet zal zien dat die programma’s cruciale bouwstenen voor regeerakkoorden blijven. Vandaar dat bijvoorbeeld lobbyisten er alert op zijn. Maar nu openbare politiek steeds meer draait om presentatie in plaats van ideeën, spelen die programma’s voor de buitenwereld alleen een afgeleide rol: als alibi voor verslaggevervragen in verkiezingstijd.

Op zijn werkkamer in Leiden ontmoette ik een doorgewinterde liberaal. De zoon van een Wassenaarse groothandelaar in woningtextiel, die dankzij de spaarzin van zijn ouders op 18-jarige leeftijd medicijnen op Johns Hopkins in het Amerikaanse Baltimore ging studeren. Een overtuigde internationalist die later ook cursussen deed op Harvard en INSEAD.

Zo leerde hij, zei Bruijn, „culturele mobiliteit” waarderen. „Je gaat dankzij dit soort ervaringen door culturele barrières en dat vergroot je begrip voor andere volken en culturen”, zei hij. „Dus zie je beter wie jij zelf bent.”

Om diezelfde reden bleek hij vurig aanhanger van een EU-voorschrift om leerlingen, ongeacht hun niveau, twee buitenlandse talen te leren. Een ‘doorlopende kosmopolitische leerlijn’ als klassiek liberaal antwoord op het cultureel-conservatisme. „Het zou ons een geweldige plaats in de wereld geven”, zei hij. „Het helpt enorm bij sociaal-culturele uitdagingen en zaken als schaalvergroting, botsende culturen en religies, normen en waarden.”

Dus ik zit hier, zei ik pesterig, tegenover een eurofiel? „Een Europees realist”, antwoordde hij handig.

Waarna hij uiteenzette dat „we als land héél veel aan Europa te danken hebben”. Zonder haperen somde hij het rijtje op. Export, groei, begrotingsdiscipline, onderwijs: „Op al die gebieden is Europese samenwerking voor ons land gewoon hartstikke goed.”

Nog zoiets. In 2013 stemde hij, anders dan de meerderheid van de VVD-senaatsfractie, tegen beëindiging van het verbod op godslastering – waaraan vooral islamcritici hechtten.

Hij vertelde me dat het een vrije kwestie in de fractie was. In de afweging tussen overbodigheid van het wetsartikel (geen rechter vervolgde godslastering nog) en de symbolische betekenis van de verbodsbepaling, nam hij het op „voor de mensen voor wie het verbod grote gevoelswaarde had”. Niet ingewikkeld, vond hij. „Respect voor de andersdenkende.”

Al vanaf de jaren tachtig combineert hij zijn medische carrière met functies als vrijwilliger in alle partijgeledingen – van de lokale afdeling tot en met het wetenschappelijk instituut.

„Ik ben iemand die bij elke verkiezing tevreden zo’n blauw-oranje bord in de voortuin laat planten.”

Hij was voorzitter van de partijcommissie Onderwijs toen hij een jaar of tien terug Rutte leerde kennen, toen staatssecretaris van Onderwijs. Maar tegenover mij voelde hij er duidelijk niets voor gewichtig over zijn relatie met de premier te doen. „Ik vind hem een uitstekende partijleider, en dat is het.”

Met smaak vertelde hij later hoe Ivo Opstelten, toen nog VVD-voorzitter, hem in 2010 overhaalde de programcommissie te leiden. „Ivo is een people manager, schitterend is dat”, zei hij. Bruijn was op een medisch congres in de VS, het was na middernacht toen Opstelten belde. „Ivo zei: ‘Wij vinden ook dat je voorzitter moet worden’.”

Bruijn herinnerde eraan wie de vorige voorzitters waren – Pieter Korteweg, Ben Verwaayen – en vroeg Opstelten of hij het goede nummer had gedraaid. „’Wij vinden dat jij dit kan’, zei Ivo.” Het fraaiste, vond hij, volgde toen Bruijn een stilte liet vallen. „Ivo zei, met die bassende stem: ‘Je moet nu ja zeggen’.”

Het „prachtige” van zo’n programcommissie, vertelde hij, is dat je „over de volle breedte” beleid voor de volgende regeerperiode bedenkt. Hij is alweer twee maanden bezig met het concept-programma 2017-2021. Vooral consultatie in eigen kring: afdelingen, netwerken, instituten, ereleden, beroepspolitici.

Zeker zo belangrijk is „dat we actief input van buiten krijgen”. De vorige twee keer kwamen zowat alle Hollandse afkortingen langs – „VNO, MKB, KNAW, FNV, VNZ, VSNU etc.” – en dat leverde „een uitstekend beeld” van het land op.

Onzichtbare Haagse invloeden. „Je ziet dan hoe mooi de polder werkt. Die koepels en verenigingen, echt geweldig – Nederland is zó goed georganiseerd. Iedere beroeps- en belangengroep praat met je. In een paar maanden komt het hele land over de vloer.”

Maar heeft dat ook zin, voor het land? „Natúúrlijk”, zei hij. Als voorbeeld noemde hij de onderwijskoepel die in 2010 klaagde dat basisscholen geen onderwijs in vreemde talen mochten geven. „Kwam in ons verkiezingsprogramma, daarna in het regeerakkoord, en inmiddels is de wet gewijzigd”, vertelde hij. „Zo werkt het.”

Dus dit was de reden, zei ik, dat professionele lobbyisten opgeven van hun invloed op verkiezingsprogramma’s? Nu keerde die lichte spot in zijn stem terug. „Dat lees ik wel eens”, zei hij. „Maar vreemd genoeg kom ik die mensen zelden tegen in dit werk.” Misschien dat ze die koepels influisteren? „Dat zou kunnen.”

Een complicatie voor hem is de opkomst van stemwijzers. Die hebben „de mooie gewoonte” van programma’s op hoofdlijnen beëindigd. „Je scoort niet in stemwijzers wanneer je een thema onbenoemd laat”, legde hij uit. Dus nemen partijen nu over elk denkbaar onderwerp een standpunt in. Openheid die extra partijbureaucratie genereert: „Ons programma wordt weer steeds dikker.”

Ik vroeg of hij de vorige twee keer misschien vergissingen had begaan. Hij schudde schalks het hoofd. Ik suggereerde de vorming van het kolossale ministerie van Veiligheid en Justitie en de Nationale Politie. VVD-stokpaardjes die zulke enorme apparaten opleverden dat ze bestuurlijk amper te behappen zijn.

„Maar de veiligheid nam toe”, kaatste hij terug. En reorganiseren geeft altijd aanloopproblemen. „De voordelen moeten nog blijken.”

Zijn partij maakte de laatste jaren een ommezwaai inzake het staatsbestel: van sceptisch over wijzigingen naar actief pleitbezorger van herziening van het tweekamerstelsel. Den Haag houdt alweer de adem in over de volgende showdown in de Eerste Kamer, in december, inzake het Belastingplan.

Het totale stelsel, inclusief zetelroof en kiesdrempel, moet wat hem betreft bekeken worden. „Ook het mandaat van de senator: wat is dat precies?”

Zijn naam viel deze week als mogelijke opvolger van Loek Hermans – dinsdag wees de fractie oud-vicepremier Annemarie Jorritsma aan. Bruijn was verrast dat hij genoemd werd. „Ik heb een gezin, een baan, het ziekenhuis, ik ben senator en leid de programcommissie.”

Vol is vol? „Er kan even niets meer bij”, zei hij, zonder opsmuk.