Deze yezidi meisjes kwamen terug

De meeste van de 3.000 meisjes die door IS zijn ontvoerd, zijn nog altijd vermist. De meisjes die vrijkomen, staan thuis voor nieuwe problemen.

Door Marloes de Koning Foto’s (en teksten) Seivan M. Saliam

‘Er is een liedje over ‘de meisjes van Sinjar’. Altijd als ik dat hoor huil ik.” Xero Xalaf Suleyman (50) probeert de sterkste te zijn van de elf gezinsleden. Maar zelfs de man in huis wordt het geregeld te veel, vertelt hij eerlijk. Dat huis is al meer dan een jaar een tent in het kamp Khanke, van VN vluchtelingenorganisatie UNHCR, inmiddels uitgebreid met een zelfgemetselde kamer van grijze blokken. Met zeildoek is een beschutting gemaakt om onder te koken.

Het gezin van Suleyman is fysiek ongeschonden weggekomen toen Islamitische Staat (IS) op 3 en 4 augustus 2014 Sinjar innam, een regio in Irak waar veel mensen van de yezidi-geloofsgemeenschap woonden. Voor yezidi’s, die worden beschouwd als ongelovigen of duivelaanbidders, heeft IS geen genade.

Gruwelijke slachtpartijen begonnen. Suleyman somt voor zijn tent op wat ‘volgens mij in geen enkele religie mag’: oudere mannen die zijn onthoofd, een kindje dat werd gedood en verbrand, waarna zijn moeder opdracht kreeg het lichaampje op te eten. Verkrachtingen van meisjes die nog geen acht waren.

Het is niet duidelijk wat hij zelf heeft gezien en wat hij heeft gehoord van andere vluchtelingen in de duizenden tenten op dit modderige terrein.

Toen Koerdische strijders met Amerikaanse luchtsteun half november Sinjar en omgeving heroverden, troffen ze leeggeplunderde huizen aan en massagraven met tientallen lichamen die soms te herkennen zijn aan plukken haar en bezittingen zoals sleutelbossen.

Volgens officiële tellingen zijn 5.138 yezidi’s ontvoerd of vermoord. Het lijkt erop dat in de graven hoofdzakelijk oudere vrouwen liggen. Van de ruim drieduizend meisjes en jonge vrouwen die door IS zijn meegenomen om als seksslavinnen te dienen of te worden verkocht, zijn de meesten nog altijd vermist.

Soms lukt het een meisje te ontsnappen en te vluchten. Geheime informanten van de Koerdische regering in Erbil kopen soms meisjes op de markt in de grote stad Mosul, die in handen is van IS, om ze in veiligheid te brengen. Enkele honderden meisjes zijn bij hun familie teruggekeerd. Daar moeten de zwaar getraumatiseerde jonge vrouwen opnieuw een plek vinden in de conservatieve, gesloten yezidi-gemeenschap.

Dat gaat uiterst moeizaam, vertelt dokter Wahid Harmz, leider van een team psychologen dat werkt voor de Jiyanstichting, een Koerdische mensenrechtenorganisatie. „Ze komen niet als maagd terug. Dat wordt ze verweten. Ik zeg tegen mannen dat ze juíst met deze meisjes moeten trouwen als ze van hun religie en etniciteit houden.”

In kamp Khanke, een van de zestien vluchtelingenkampen waar yezidi’s zijn opgevangen, heeft de stichting een kleine praktijk naast het Unicefkantoor. Door de dunne wand van de container zijn vrouwenstemmen te horen. Een baby huilt. Een medewerkster probeert een jonge vrouw over te halen naar de gespecialiseerde kliniek in de stad Suleimanija, tegen de grens met Iran, te gaan voor opname en intensieve therapie. Ze mag een familielid meenemen. Daar zitten inmiddels zo’n honderd aan IS ontkomen vrouwen.

Behandeling in het kamp is bijna onmogelijk. Meisjes die een psycholoog bezoeken, riskeren daarmee verdere stigmatisering. De geslotenheid van de yezidi-samenleving, die is georganiseerd in kasten en waarin trouwen met buitenstaanders vrijwel is uitgesloten, maakt het bovendien voor psychologen moeilijker tot ze door te dringen.

Dat probleem speelt ook voor de onderzoekers van de misdaden tegen de yezidi’s. Een van hen is Hussein Hassoon (41), zelf ook yezidi. Hij was vluchteling en woonde en werkte lang in Nederland als vertaler voor justitie.

Hij geeft leiding aan een kleine onderzoekscommissie in Duhok in Iraaks Koerdistan die probeert bewijzen te verzamelen van de misdaden tegen yezidi’s en andere minderheden in Irak, onder andere door het horen van de teruggekeerde meisjes. Zij proberen te vergeten. Hij probeert te voorkomen dat de volkerenmoord op yezidi’s wordt vergeten. „Het lukt niet altijd tot ze door te dringen. Maar we hebben inmiddels 475 processen-verbaal. Daarbij zitten genoeg getuigenverklaringen van onder meer groepsverkrachtingen, slavenhandel, martelingen en gedwongen scheiden van kinderen.”

Het uiteindelijke doel is een strafzaak bij het Internationaal Strafhof in Den Haag. Dat is juridisch vrijwel onhaalbaar omdat Irak het strafhof niet erkent. Maar het moet, zegt Hassoon, om wat genocide met nog levende slachtoffers doet. Hij is zelf een van hen. „We zijn in shock,” zegt hij. „Je verliest vertrouwen in de genade van God en in de mensheid.”