De grootse absurditeit van Job

In september 1967 kreeg ik een brief van de nieuwe studentenrabbijn, dat hij graag kennis wilde maken. Vreemd. Drie jaar eerder had ik een poging gedaan om naar Israël te emigreren, dat mislukte doordat ik me in het Joodse land niet thuis voelde, dus had ik in gedachten mijn lidmaatschap van het bijbehorende volk opgezegd, en nu dit.

Om van de rabbijn af te komen stelde ik voor samen Job te lezen. Een paar jaar eerder had ik op het Waterlooplein een oude Statenbijbel gekocht. Het verhaal van Job, een door en door fatsoenlijke man die door de duivel in opdracht van God kapot werd getreiterd, leek me geschikt om een rabbijn mee op zijn nummer te zetten. Het liep anders. Binnen een half uur begon de rabbijn over engelen en dat mijn studentenkamer er misschien vol mee was. Dat werd me te gek; ik zag af van verdere discussie en zei hem vaarwel.

Mijn opzegging van het lidmaatschap van het Joodse volk verliep minder vlot. Jodendom is als Hotel California:

You can check out any time you like

But you can never leave

Na tientallen jaren kwam ik terug bij mijn joodse wortels en recentelijk las ik opnieuw Job, met oude vrienden, in het Hebreeuws. We waren er zestien maanden mee bezig. Waarom steekt een rationele biochemicus zoveel tijd in zo’n drieduizend jaar oude moraliteit? Daarvoor moet ik eerst de plot uitleggen.

Hoofdstuk 1: God vergadert met zijn engelen. Satan komt binnen, God vertelt over Job die zo godvrezend is maar Satan vindt dat geen kunst, met tien kerngezonde kinderen en drieduizend kamelen; hij wedt dat als het Job slecht gaat hij God zal vervloeken. God zegt ‘ga je gang’, en in hoofdstuk 2 is Job overdekt met abcessen, zijn kinderen zijn dood en al zijn bezit is gestolen. Zijn vrouw zegt: ‘vervloek God en sterf’, maar dat weigert hij. Hij eist zijn ‘day in court’, hij wil weten waar hij deze straf aan heeft verdiend. Gerechtigheid wil hij. Dat is tegen het zere been van zijn vrienden die betogen dat God rechtvaardig is, het goede beloont en het kwade straft en dat Job het er wel naar gemaakt zal hebben. Job ontkent, langdurige discussies, prachtige poëzie.

En dan na 37 hoofdstukken de ontknoping: de stem van God uit de stormwind die Job uitnodigt voor een kleine tour van Zijn heelal. De monsterlijke watermassa’s van de oceanen, het zingen van de ochtendsterren, hoe de gazellen baren en de ravenjongen hongeren, de onpeilbare paradoxen van wreedheid, liefde, leven en dood. Job realiseert zich dat zijn probleempjes stofjes zijn in een onbegrijpelijke realiteit en trekt zijn klacht in. Indirect krijgt hij toch zijn rechtvaardiging, want zijn vrienden krijgen van God op hun kop vanwege hun schijnheilige vroomheid. Job, die door alles heen vasthield aan de feiten, mag nu een goed woordje voor ze doen. En dan volgt een happy end met tien nieuwe kinderen en heel veel kamelen en goud.

Job is het vreemdste van de vierentwintig boeken van de Joodse bijbel. Het is onduidelijk wie Job is, hij heeft geen verleden. Er wordt alleen verteld dat hij woont in Oets, ergens richting Jordanië/Irak. Dat kan kloppen, want het verhaal is in rudimentaire vorm al aangetroffen in een Mesopotamische tekst van tweeduizend jaar voor Christus. Mesopotamië is nu IS-territorium. Daar ontstond ook het verhaal van Gilgamesj, de koning van Oeroek, die zich afmartelde met de vraag waarom hij ooit moest sterven. Hij ging op wereldreis, herbeleefde de zondvloed en kwam terug met een antwoord dat geen antwoord was en toch weer wel. De oudste versie van Gilgamesj is van 2700 jaar voor Christus; de meeste vragen waarover wij ’s nachts liggen te woelen zijn toen al gesteld.

En Job? Nog vreemder dan zijn herkomst uit het luchtledige is het feit dat de schriftgeleerden het boek hebben opgenomen in de officiële Joodse bijbel. Weliswaar vervloekt Job God nooit letterlijk, maar zijn omschrijving van het opperwezen komt dicht in de buurt van een hemelse Assad die doodt naar hem goeddunkt. Wat zou ik graag de notulen zien van de vergadering waarin over de canonisering van Job werd beslist. De kans dat die opduiken is klein, alleen al gezien de manier waarop in het Midden-Oosten inclusief de Tempelberg nu de resten uit het verleden worden verwoest. Ik vermoed dat de aangrijpende poëzie van Job een rol speelde in het besluit; de beschrijvingen van de dauwdruppel in de woestijn, de zon aan de horizon, de poorten van de dood. De stem uit de stormwind gaf denk ik de doorslag. Ik hoef geen man met baard die het goede beloont en het kwade straft, maar ik vind ook geen bevrediging in hoe de moleculaire biologie de mens beschrijft: als een blinde kopieermachine die na zeventig jaar bij het schroot kan. De grootsheid en absurditeit van het Al volgens Job is mij liever; die helpt mij de zinloosheid van het bestaan te aanvaarden.

Als u dezelfde vragen hebt als Job, lees hem dan. Die engelen hoeft u niet serieus te nemen, ik ben geen rabbijn.