De butbrigade kijkt weg

Supporters van twee voetbalclubs raken voor of na een wedstrijd slaags met elkaar, een deel van de stad verandert in een oorlogsgebied, er vallen talrijke gewonden, ook onder de politie, en de materiële schade is enorm. De burgemeester, de politiecommissaris, de trainers en voorzitters van de clubs, iedereen is boos. Ook de supportersverenigingen distantiëren zich. „Dit heeft niets met voetbal te maken”, zeggen zij.

Bij de poort van het clubhuis geïnterviewde supporters, brave huisvaders met pet of sjaal in de clubkleuren, spreken hen na. „Dit is mijn club niet”, zeggen zij, „dit heeft niets met voetbal te maken”. De omstanders knikken.

Zij hebben gelijk: een geïmproviseerde veldslag met fietskettingen en boksbeugels heeft niets met voetbal te maken. Tegelijk is het evident dat voetbal en hooliganisme wel iets met elkaar te maken hebben. Wie dat beweert heeft óók gelijk.

Wij stuiten hier op een semantisch probleem. De uitspraken ‘X is niet Y’ of ‘X heeft niets met Y te maken’ is als uitgangspunt voor een discussie gewoon te vaag. Wat bedoelt die supporter als hij zegt ‘dit is niet mijn club’? De hooligans zijn lid, zij hebben een seizoensabonnement of iets dergelijks, een eigen vak in het stadion, en toch behoren zij niet tot de club?

De bonafide supporter bedoelt: zij gedragen zich in strijd met de geest van mijn club. Wat zij doen heeft niets te maken met het wezen van voetbal: een vriendschappelijke tweekamp zonder bloed en geweld.

Zo zit de relatie tussen de islam en jihadgeweld ook in elkaar, denk ik. Die relatie ontkennen is zinloos, maar roepen dat hij wel bestaat, is net zo zinloos. Het is evident. Toch blijven islamcritici die open deur maar intrappen, opnieuw en opnieuw.

Als het niet aan de islam ligt maar aan hun sociale omstandigheden, waarom worden dan niet alle jongeren in Molenbeek, Saint Denis of Slotervaart terrorist, vragen zij.

Dit is een redenering van het type: er zijn dragers van het griepvirus die niet ziek worden, dus dat virus is niet de oorzaak van griep. Je kunt ook zeggen: als het de islam is, waarom zijn dan niet alle moslims terrorist? Helaas is dat evengoed een griepvirusredenering, en zo blijft het gesprek dan hangen, op kuithoogte. De weinig opwindende werkelijkheid zal wel zijn dat religieuze, culturele en sociale factoren tot dit soort excessen leiden, maar dan weer niet bij iedereen.

Oeps , ik zeg ‘maar’ – dat woord hoort de islamcriticus niet graag. ‘Maar’ is een woord voor de wegkijkers, de goedpraters, de policor Gutmenschen, de linkse theedrinkers. Voor de dhimmi’s, de ‘verraders’ (dank, Nausicaa Marbe). De butbrigade, wier zinnen altijd met ‘maar’ beginnen. Denkers die een banvloek uitspreken over het woord ‘maar’ – interessant. De wiskunde schaft het deelteken af en biljarten doen we voortaan met een stoelpoot.

Het is stropopretoriek. De premier heeft IS de oorlog verklaard, het aantal vluchtelingen wordt aan banden gelegd, onder andere vanwege de angst voor terreur, en de islambashers maar brullen dat we ziende blind zijn.

Want als zij hun pijlen niet meer op de vermeende butbrigade kunnen richten, zullen zij antwoord moeten geven op de vraag: maar wat gaan we dan dóen? En welk antwoord zij dan ook geven, het zal zich eenvoudig laten samenvatten: minder. Dan sluiten zij zich aan bij de minderbrigade, die witte windjacks draagt en de fakkel van Geert Wilders. Maar zij kennen hun klassiekers, die noodlottige trits van minderheid via zondebok naar massagraf. En zij zijn wel onverschrokken en standvastig, maar het moet natuurlijk niet te concreet worden allemaal. En dus draagt niet de minderheid schuld, maar de meerderheid die wegkeek. Die ‘maar’ zei.