Column

Alweer de 21ste klimaattop – het is nu hoog tijd voor echte afspraken

Een klimaatverdrag dat wereldwijd wordt ingevoerd. En waaraan alle landen zich bovendien zullen houden. Dat is de inzet van de 21ste VN-top over het klimaat, die maandag in Parijs begint. Dat is behoorlijk ambitieus, vooral omdat resultaten die in het verleden op de mondiale klimaatconferenties zijn behaald, allerminst een reden geven om optimistisch te zijn.

Het nieuwe verdrag moet in 2020 het Protocol van Kyoto vervangen. In deze Japanse stad kwamen 179 landen in 1997 overeen dat ze de uitstoot van broeikasgassen in de periode 2008-2012 met 8 procent zouden terugbrengen ten opzichte van het ijkjaar 1990.

Daar is niet veel van terechtgekomen: de woorden op klimaatconferenties zijn aanmerkelijk schoner dan de daden die erop volgen.

Een domper was dat de Verenigde Staten, een van de meest vervuilende landen ter wereld, in 2001 afhaakten, omdat ze vonden dat de lasten van het klimaatverdrag te eenzijdig bij de rijkere landen werden gelegd. Een bijgestelde versie van het Kyoto-protocol, vastgesteld op de conferentie van 2001 in Bonn, kon de VS niet vermurwen.

‘Kyoto’ werd in 2012 in Doha verlengd, maar slechts een handvol landen tekenden bij; de twee conferenties die daarop volgden (Warschau, 2013 en Lima, 2014) hadden weinig om het lijf. Parijs 2015 is een klimaattop waarop de ‘groten der aarde’ er weer eens aan te pas komen. Zoals in 2009 in Kopenhagen, toen de wereldleiders er helaas niet in slaagden een juridisch bindend akkoord te sluiten, onder meer door een controverse tussen de twee grootste vervuilers, China en de VS.

Een reden om toch iets te verwachten van ‘COP21’, zoals de conferentie in Parijs wordt afgekort, is dat meer dan in de afgelopen jaren de geesten rijp lijken te zijn voor niet vrijblijvende maatregelen. Omdat de gevolgen van de uitstoot van broeikasgassen merkbaar zijn. Omdat bijvoorbeeld in Chinese steden de luchtvervuiling vaak ronduit ondraaglijk is. Omdat de angst voor overstromingen toeneemt. Omdat het weer zich extreem gedraagt. Omdat de ‘klimaatsceptici’ allang zijn overvleugeld door wetenschappers wier bevindingen alarmerend genoeg zijn om voor de toekomst van de aarde het zekere voor het onzekere te nemen.

Saillant is wat de Nederlandse geowetenschapper Klaas van Egmond tegen de Tweede Kamer zei: „Als economen net zoveel van de economie zouden weten als klimaatwetenschappers van het klimaat, hadden we nooit een economische crisis gehad.”

Het zijn niet alleen de president van de VS, de leider van China of de paus die, inmiddels, uitdragen dat ingrijpen onontkoombaar is. Maatregelen die vooral moeten inhouden dat het gebruik van fossiele brandstoffen wordt beperkt en liefst beëindigd, en dat bij de voedselproductie de milieugevolgen terdege meewegen. Ook een land als India, het op een na bevolkingsrijkste land ter wereld en dus (potentieel) een grote vervuiler, is met serieuze plannen gekomen die het in Parijs wil inbrengen.

Dat is belangrijk, want opnieuw zal ook daar het overwinnen van de tegenstelling tussen rijkere, geïndustrialiseerde landen en de opkomende economieën in de derde wereld een thema zijn. In hoeverre het Westen bereid is armere landen financieel te steunen bij hun klimaatbeleid kon weleens doorslaggevend zijn voor het welslagen van de top.

Als lidstaat van de ook bij het klimaatbeleid moeilijk te verenigen Europese Unie zal Nederland in Parijs niet een doorslaggevende inbreng hebben. Maar voor een land dat achter de dijken en gedeeltelijk onder de zeespiegel ligt, zijn afspraken die de opwarming van de aarde ten minste afremmen vanzelfsprekend van vitaal belang.