Veel zoutkoepels raken sneller lek dan verwacht

Zoutkoepels zijn toch niet zo goed voor de opslag van kernafval. Onderzoek laat zien dat steenzout snel instabiel kan worden.

De ondergrondse opslag van radioactief afval in zoutkoepels moet worden heroverwogen. Als opslagvaten er beschadigd raken, kan het radioactief afval makkelijker uit de zoutformatie lekken dan gedacht. Dat schrijven geologen van de Universiteit van Texas vandaag in het tijdschrift Science. Uit hun onderzoek blijkt dat geologische zoutlagen doorlaatbaarder zijn dan in risicoberekeningen wordt verondersteld.

In de Verenigde Staten woedt een discussie over de langetermijnopslag van radioactief afval in zoutkoepels, nadat president Obama de subsidie voor de bouw van een opslaglocatie in Yucca Mountain, Nevada, heeft stopgezet. In de jaren zeventig verdedigden kernenergiedeskundigen het idee dat zoutkoepels stabiel genoeg zijn om tienduizenden jaren een veilige opslagplaats te kunnen zijn.

Dat zoutmijnen lek kunnen raken is al gebleken, in Duitsland. Vijf jaar geleden werd in de voormalige zoutmijn Asse II, bij Braunschweig, ontdekt dat er dagelijks duizenden liters pekelwater in de mijn druppelen. In de oude zoutmijn, op een diepte van 750 meter, waren in de jaren zeventig 126.000 vaten radioactief afval opgeslagen. Het sterke vermoeden was toen dat de vaten door het pekelwater waren gecorrodeerd. Duitsland bestudeert nu hoe de vaten het best verwijderd kunnen worden.

De Amerikaanse geologen onderzochten in de Golf van Mexico 48 boorputten voor olie- en gaswinning. Ze deden dat in samenwerking met het Noorse oliebedrijf Statoil. Bij de aanleg van deze putten werd door een dikke laag steenzout geboord.

De theorie zegt dat steenzout pas op grotere diepte, bij hoge druk en temperatuur, doorlaatbaar wordt. Dan blijven vloeistoffen die in het zout doordringen (bijvoorbeeld grondwater of olie) makkelijker stromen. Ze lossen zout op en vormen gaandeweg een netwerk tussen bestaande, maar in eerste instantie van elkaar afgesloten poriën. Dichter bij het aardoppervlak gebeurt dit niet, volgens de theorie, omdat de zoutoplossing in de poriën snel neerslaat, en daarmee de minuscule holte afsluit.

De meeste boorputten voldeden aan deze theorie, maar bij sommige putten zagen de geologen dat zich ook in ondiepere lagen van het zoutpakket een poriënnetwerk had gevormd. Ze denken dat de verhoogde doorlaatbaarheid door stress veroorzaakt kan worden, zoals aardbevingen. Of, in het geval van zoutmijnen, door uitgravingen.