Toerist spelen in eigen stad

Het is een dag om binnen te blijven. De wind snijdt moeiteloos door drie lagen kleren en de regen slaat tegen de ramen van de tram. Een paar meter verderop zitten vier tieners. Ze zijn ingestapt bij Rotterdam Centraal en draaien ongeduldig op hun stoelen. „Moeten we er hier uit? Of is het de volgende?”

Als we aankomen bij de eindhalte van tram 7, Willemsplein, stappen we tegelijkertijd uit. Het waait onverminderd hard, maar de zon breekt voorzichtig door en het licht weerkaatst op De Rotterdam van Koolhaas. Ze kijken verwonderd naar het uitzicht. „Wow!” roept een van hen. „Het lijkt alsof we in Amerika zijn!”

Aan de kade drentelen toeristen met rode windjacks en camera’s op hun buik. Er is een fietsverhuur en een souvenirwinkel. Een man houdt beschermend zijn petje vast tegen de wind. Ik ga op een bankje onder de Erasmusbrug zitten en kijk hoe de toeristen aan boord gaan van de Spido. Er dendert een tram over de brug. Het klinkt als onweer. De man met het petje kijkt verschrikt op van het lawaai, maar wordt dan door zijn vrouw aangestoten die hem op een voorbij scherende watertaxi wijst. Er is teveel te zien om lang afgeleid te zijn.

Als de Spido afmeert sta ik op en volg ik de wapperende Coca-Cola vlaggen en uithangborden naar de souvenirwinkel.

Binnen staan er rekken met ansichtkaarten en sleutelhangers, kasten vol vingerhoedjes en glazen, en stapels t-shirts en theedoeken. Ze hebben veel, alles wat je als toerist nodig hebt om aan het thuisfront te bewijzen dat je in De Havenstad bent geweest. Maar ik zie ook ook mutsen waar de naam van de hoofdstad op staat gedrukt. Als ik de man achter de toonbank ernaar vraag haalt hij zijn schouders op. „De meesten komen toch voor Amsterdam”, zegt hij. „Nu hoeven ze er niet meer naartoe.” Hij merkt nog niet dat Rotterdam in allerlei lijstjes opduikt als topbestemming. „Misschien volgende zomer.”

De tram buldert boven onze hoofden. Hij hoort het pas als ik er iets van zeg. „Je raakt eraan gewend.”

Ik koop een koelkastmagneet waar in grote witte letters ROTTERDAM op staat. Hij stopt hem in een knisperend zakje. Dan sla ik mijn sjaal stevig om mijn nek. Buiten is het weer gaan miezeren. Vandaag ben ik een toerist. En de regen neem ik voor lief.