Terwijl al zijn collega’s naar Peru-Nederland kijken...

Het is altijd leuk wanneer Nederland in een buitenlandse roman een rol heeft. In Bloed aan de paal van de Peruaanse schrijver Santiago Roncagliolo (1975) is dat zelfs een (bij)rol in de ontknoping. Het boek speelt zich af tijdens de wereldkampioenschappen voetbal van 1978 en vindt zijn hoogtepunt bij de door Nederland verloren finale daarvan. Maar Bloed aan de paal is geen voetbalroman. De opgewonden stemmen van sportverslaggevers klinken op de achtergrond mee, soms beïnvloeden ze indirect het verhaal, maar de politieke intrige volgt zijn eigen lijnen. De harde strijd tussen de dictaturen die Peru en Argentinië dan nog zijn en de linkse oppositie die in de illegaliteit gedrongen is, vormt het echte onderwerp. Tijdens het WK is in gastland Argentinië de ‘vuile oorlog’ in volle gang. In Peru moet de ergste strijd met het Lichtend Pad nog beginnen.

Die laatste beschreef Roncagliolo eerder in zijn roman Aprilrood, waarmee hij na 2006 internationaal doorbrak. In Bloed aan de paal grijpt Roncagliolo terug op de de hoofdpersoon: Félix Chacaltana. Die officier van justitie was in Aprilrood een enigszins naïeve justitieofficier, die steeds dieper aangeslagen raakt door de gruwelijke moordpartijen die hij moet onderzoeken. In Bloed aan de paal is hij ruim twintig jaar jonger en werkt hij als ondergeschikte op het archief van het justitiepaleis.

Omdat er niemand anders beschikbaar is – al zijn collega’s kijken naar de wedstrijd Peru-Nederland – wordt Chacaltana erop uit gestuurd om een lijk te identificeren dat zojuist in een rivier gevonden is. Dat blijkt van een oudere schaakvriend te zijn, van wie Chacaltana – zo realiseert hij zich dan – verder vrijwel niets weet. Zijn onderzoek naar de moord brengt hem in contact met ‘subversieven’ en met de geheime dienst, waarvoor hij tijdelijk gaat werken.

Chacaltana is zo mogelijk nog naïever dan hij in Aprilrood al was. Hij gelooft hartstochtelijk in het vaderland, en de strijdkrachten die het tegen subversie verdedigen. Pas langzaam begint hij de donkere zijde van het staatsgezag in te zien. Tijdens een bezoek aan een van de beruchtste martelcentra van de Argentijnse junta in Buenos Aires vallen hem de schellen van de ogen. En tegelijk ook niet, want gaandeweg zijn onderzoek wordt steeds onduidelijker welke rol zijn vermoorde vriend gespeeld heeft.

Werd deze het slachtoffer van terroristen, van het leger, werkte hij samen met de ene of met de andere partij? Knap weet Roncagliolo de dode te laten verschijnen in een steeds ander licht. Dat maakt deze roman tot een thriller die je tot aan het einde toe in zijn ban houdt.

Maar de schrijver betaalt er ook een prijs voor. Om al die zwenkingen te kunnen maken, moet hij zijn hoofdpersoon wel als een érg simpel en goedgelovig lulletje-rozewater neerzetten. Chacaltana leert nauwelijks van de plotwendingen waarin wit plotseling zwart kan worden, en andersom. Als we Aprilrood mogen geloven, is hij twintig jaar later nog nauwelijks veranderd.

Die naïviteit is niet erg waarschijnlijk en wordt al vrij snel irritant. Dat is spijtig, want verder weet Roncagliolo de spanning er goed in te houden en het thrillergenre te verbinden met de ontstellende verschrikkingen die over de ‘vuile oorlog’ inmiddels bekend geworden zijn.