Niet-uitzetbare groep blijft een probleem, noodopvang of niet

Met parallelle uitspraken van twee hoogste bestuursrechters over de noodopvang voor uitgeprocedeerde asielzoekers, is het kabinet bevrijd van een politiek probleem. De Raad van State en de Centrale Raad van Beroep oordeelden deze week dat het kabinet wél voorwaarden mag stellen aan deelname aan de zogeheten bed-bad-broodregeling. Namelijk de bereidheid om mee te werken aan terugkeer. Ook op gemeenten rust geen onvoorwaardelijke plicht om uitgeprocedeerden lokaal op te vangen.

Verwijzen naar min of meer gesloten locaties, zoals het centrum in Ter Apel, is dus toegelaten. Er bestaat geen onvoorwaardelijk recht op noodhulp voor ieder die na de asielprocedure nergens terecht kan, zoals was geëist. Dat zou van een sober en streng vreemdelingenbeleid een farce maken, zo vreesde toenmalig staatssecretaris Teeven. Door anderen werd betoogd dat algemeen toegankelijke noodhulp juist voorkomt dat grote groepen uitgeprocedeerde asielzoekers dakloos worden en feitelijk zwervers.

Dat risico is na deze uitspraak niet weggenomen. Uitgeprocedeerde, niet-uitzetbare asielzoekers, van wie ‘medewerking’ aan uitzetting juridisch noch praktisch enig verschil maakt, dreigen nog steeds tussen wal en schip te vallen. De juridische uitzondering die de bestuursrechters formuleren, biedt ze geen soelaas. Alleen uitgeprocedeerden die zo in de war zijn of zo aan de grond zitten dat ze de gevolgen van hun weigering niet overzien, moeten van de Raad en het College door de staat worden opgevangen.

Dat is een stuk krapper dan de uitzondering die het Europese Hof in Straatsburg formuleerde. Die vond een plicht tot opvang denkbaar voor vreemdelingen, uitgeprocedeerd of niet, die geheel afhankelijk zijn van de staat, zich in een menselijk onwaardige situatie bevinden en geconfronteerd worden met „officiële onverschilligheid”. Denk aan de asielzoekers die genegeerd worden door hun ambassades bij hun pogingen om papieren te krijgen. Zij zijn buiten hun schuld hulpeloos. Juridisch is het een gemiste kans dat Raad van State en College van Beroep dit handvat niet aangrepen en daarmee de Europese normen versterkten.

Al met al is het nu aan staatssecretaris Dijkhoff (Justitie, VVD) met de gemeenten een akkoord te sluiten over opvang van deze moeilijke groep. Daarbij zal helpen dat het thema politiek en maatschappelijk in een ander perspectief is gekomen. En wellicht dat Dijkhoff een pragmatischer politicus is gebleken dan zijn voorganger, de meer ideologische Teeven. De druk op uitgeprocedeerden om te vertrekken is op dit moment ook sterker, door de grote toeloop. Maar van wie echt niet kan vertrekken, mag de staat zich niet afwenden.