‘Nederland was in WO I grootste producent van cocaïne ter wereld’

Dat zei presentator Jeroen Pauw.

De aanleiding

De daders van de terroristische aanslag in Parijs waren mogelijk onder invloed van drugs. Dat blijkt uit de vondst van injectienaalden op de hotelkamer van verdachte Salah Abdeslam. Gasten van talkshow Pauw bespraken vorige week het gebruik van verdovende middelen door rebellen, piraten en soldaten, tegen stress en ter ophitsing. „Nederland was ten tijde van de Eerste Wereldoorlog de grootste cocaïneproducent ter wereld”, zei presentator Jeroen Pauw. Klopt dat?

Waar is het op gebaseerd?

Pauw laat telefonisch weten dat hij zijn informatie heeft uit het boek De handelsreiziger van de Nederlandsche Cocaïne Fabriek van Conny Braam, uit 2009. Daarin is te lezen hoe soldaten in de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) in de loopgraven in Nederland geproduceerde cocaïne krijgen aangeboden. Het maakt ze strijdlustig en overmoedig.

En, klopt het?

De handelsreiziger van de Nederlandsche Cocaïne Fabriek is ‘een roman, gebaseerd op ware feiten’, staat op de website van uitgeverij Nieuw Amsterdam. Schrijfster Braam deed voor haar boek studie naar onder meer de Nederlandsche Cocaïnefabriek (NCF). Die werd opgericht in 1900 in Amsterdam voor de productie van cocaïne voor medicinale doeleinden. Tot zover geen discussie. Wel over wat Braam schrijft over de grootte van de NCF, en de export van cocaïne. De fabriek zou al in 1910 de grootste producent ter wereld zijn geweest en tijdens de Eerste Wereldoorlog meer winst hebben gemaakt. Dat komt volgens Braam omdat de NCF op verzoek cocaïne leverde aan Britse, Amerikaanse en later ook Duitse soldaten.

Deze bevindingen worden betwist door Hans Bosman, voormalig hoofd chemie van NCF. Hij promoveerde in 2012 aan de Universiteit Maastricht op de geschiedenis van de fabriek. In zijn proefschrift noteert hij veel lagere ramingen van de cocaïneproductie ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Ook schrijft hij dat de cocaïne nooit voor soldaten werd gemaakt.

Braam zei in interviews over haar boek dat tussen 1914 en 1918 gemiddeld 30.000 kilo werd geëxporteerd. Bosman kwam in zijn promotieonderzoek uit op tussen de 500 en 900 kilo per jaar tussen 1910 en 1917. NRC bevroeg beiden – en anderen – in 2013. In het artikel zeggen een lid van Stichting Studiecentrum Eerste Wereldoorlog en een oud-directeur van chemiebedrijf Diosynth te twijfelen aan de versie van Braam. Zij wil niet reageren, zegt de schrijfster aan de telefoon.

We spreken wel met Toine Pieters, hoogleraar geschiedenis van de farmacie (Universiteit Utrecht). Hij doet onderzoek naar drugsbeleid en was een van de beoordelaars van het proefschrift van Bosman, dat hij „uitstekend gedocumenteerd” noemt.

Pieters beschouwt het boek van Braam als fictie. Hij wijst erop dat Nederland vanaf eind 19de eeuw de grootste producent van cocabladeren werd, door de teelt in het toenmalige Nederlands-Indië. „Peru werd weggeconcurreerd. Het aandeel van Java in de wereldhandel in coca was zo’n 70 procent.”

Maar waar werden de geperste bladeren naartoe verscheept voor de maak van cocaïne? Voor een deel naar de NCF, maar het meeste ging naar de fabrieken van het Duitse Merck. Pieters: „Tussen 1914 en 1920 werd wereldwijd 12.600 kilo cocaïne per jaar geproduceerd. 6.800 kilo daarvan kwam uit Duitsland, 700 kilo uit Nederland.”

En illegale cocaïneproductie? „Die kwam voor in die tijd, maar de hoeveelheden vielen in het niet bij wat de fabrieken maakten”, zegt Pieters.

Conclusie

Het boek waarop Jeroen Pauw zich baseert, is een op waarheid gebaseerde roman. Wetenschappers zeggen dat de feiten niet kloppen. Een proefschrift heeft hardere cijfers. Nederland was weliswaar de grootste producent van cocabladeren, maar de meeste cocaïne kwam uit Duitse fabrieken. We beoordelen de stelling als onwaar.