Kunst raakt ons wezen, wetenschap sluit dat uit

Ze schreef de vaak bekroonde Gilead-trilogie, over sterke vrouwen, over religie en veel meer. „Een stervende dominee in Iowa in 1956 – dat voelt niet direct als een bestseller.”

Marilynne Robinson veegt een lok uit haar oog en lacht een helder haha! „Op deze Europese tournee wordt telkens gezegd dat Europa zo seculier is. Maar ik heb in de korte tijd dat ik hier ben al meer theologische gesprekken gevoerd dan in een heel jaar in de Verenigde Staten. Al die vragen van jullie over religie – wie is er nou seculier?”

Lees ook: Obama raakt in gesprek met iemand die hij écht leuk vindt

Ik vroeg de schrijfster van de veelgeprezen Gilead-trilogie – haar onvermoed lichte romans over twee domineesgezinnen in een versleten dorp in de Midwest – naar haar mening over de aansporing #PrayforParis. Ze antwoordde dat ze het niet goed weet. „Als mensen seculier zijn, dan is het vreemd dat ze bidden. En zijn ze werkelijk religieus dan deden ze het toch wel.”

Op een bijeenkomst met uw Nederlandse publiek noemde een lezer u ‘calvinistischer dan de calvinisten’. Het was een compliment, zei hij. Wat bedoelde hij?

„Dat de geschriften van Calvijn versluierd worden door de calvinistische traditie. Die reduceerde hem tot een strenge anti-wereldse denker. Maar wie de moeite neemt hem te lezen, staat verbaasd hoe relevant hij is. Calvijn schreef: wie in zichzelf afdaalt, treft God aan. Waarmee hij de mens heiligt en ook de menselijke verbeelding.”

Laten we het over uw verbeelding hebben. Uw romans. De trilogie die zich afspeelt in het fictieve dorp Gilead…

„…die begon met John Ames. Ik verbleef in een hotel in Massachusetts, pakte een blocnote en schreef de eerste zin, van een brief aan zijn zoon. [‘I told you last night that I might be gone sometime, and you said, Where, and I said, To be with the Good Lord, and you said, Why, and I said, Because I’m old...’ – red.]. De stem in mijn hoofd was van een man. Wat me verbaasde, al was hij duidelijk de uitkomst van heel veel lezen over het geloof en de hoeders ervan. Maar het zou hautain zijn als ik zei, o het was zo moeilijk, die man. Want ik vond het helemaal niet moeilijk. Het ging vanzelf.”

Daar was hij dan. John Ames. Zachtmoedige predikant in Iowa, een man die ‘gelukkiger [was] dan hij wilde’. 76 jaar oud, echtgenoot van een veel jongere, stille vrouw, vader van hun zevenjarig jongetje. Zich bewust dat hij niet lang meer heeft, vandaar dat hij schrijft. Over zichzelf. Over zijn beste vriend (voorganger, net als hij), zijn vader en zijn grootvader, allen mannen van de kerk. Over zijn twijfels. Zijn jaloezie. Zijn geloof.

„Ik kon niet meer ophouden met schrijven, al dacht ik dat geen uitgever het zou willen hebben. Een stervende dominee in Iowa in 1956 – dat voelt niet direct als een bestseller. En er zit veel theologie in, wat wil je anders, met zo’n personage. En met iemand als ik, ja, dat ook. Maar het kreeg alleen maar sympathieke kritieken...”

…en grote literaire prijzen en hoge verkoopcijfers.

„In de hedendaagse fictie en journalistiek wordt gedaan alsof het verlangen naar een innerlijke ervaring iets van vroeger is. Daar zouden de mensen geen zin meer in hebben. Het enige wat ik daar tegenin kan brengen is toch blijven schrijven wat ik denk dat ertoe doet.”

In de slotzin van ‘Gilead’ schrijft John Ames: ‘I’ll pray and then I sleep’. Hij denkt niet aan zijn kleine zoon.

„Hij denkt het hele boek lang aan zijn zoon. De dood van een ouder is een van de moeilijkste momenten in een mensenleven, en dat doen we onze kinderen aan. Deze vader sterft rustig – zijn kalme dood is een belangrijk geschenk voor zijn zoon.”

Ik las uw trilogie in de verkeerde volgorde, ik begon met deel 3: ‘Lila’, over de zwijgzame vrouw van de oude Ames.

„Ik had bij het schrijven altijd een sterk gevoel van Lila’s aanwezigheid. Ik spaarde haar op.”

Robinson zegt dat de boeken op zichzelf staan. En dat doen ze. Je kunt ze los van elkaar lezen. Lees je ze alle drie, dan krijg je telkens een compleet andere visie op dezelfde mensen en verscherpen zich de kringen waarin de personages bewegen. Las je Lila eerst, dan weet je dat ze bij Ames aan is komen lopen als landloopster. Dan resoneert haar peutertijd als verschoppeling en is haar zwijgen bij de gesprekken over goed en kwaad en Bijbel oorverdovend. Zonder Lila betekent de achteloze mededeling dat ze ‘geëpileerde wenkbrauwen’ heeft weinig meer dan dat zoiets opvalt in een dorp in Iowa. Las je het al wel, dan besef je dat die wenkbrauwen een restant zijn van haar werk in het bordeel waar ze een blauwe maandag haar honger bestreed.

In uw eerste roman, ‘Housekeeping’, zit al een soort Lila: Sylvie. Een vagebond die de zorg voor twee verweesde nichtjes op zich neemt.

Housekeeping speelt zich af in een gehucht dat ik modelleerde naar mijn geboortedorp in Idaho. Tot voor kort had je daar nog het last frontier-gevoel, de mensen hadden de neiging om weg te gaan, verder te trekken. Het landschap is ruig, de bossen en wind bepalen het. In het concept van The West in de Verenigde Staten ontbreken de vrouwen, maar in alle verhalen die ik hoorde over de kolonisten, spelen ze de hoofdrol. Zij waren de beschavers, zij deden het huishouden. Op het oog waren ze volledig afhankelijk van de mannen, maar die vrouwen hielden de gezinnen bij elkaar en bewaakten de voortgang van het leven. Daarom zijn de hoofdpersonen in Housekeeping vrouwen en de mannen bijfiguren.”

Sylvie slaapt met haar schoenen onder haar kussen en haar spullen binnen handbereik en ze geeft niets om dat dak boven haar hoofd. Uiteindelijk zal ze verder gaan. Lila idem dito. Vanwaar die belangstelling?

„Ik ben in mijn personages op zoek naar het essential self. Wil je een vrouw neerzetten die niet afhangt van haar sociale status en familieleven, dan beland je bij vrouwen die zwerven. Die zelf niet weten waar ze vandaan komen, die niet weten wie hun moeder is noch wat hun plaats is of wat ze in de wereld doen. Ze bepalen zichzelf.

„Ik zoek in mijn romans naar de kern van het menselijk bestaan en daarbij laat ik me leiden door religie en theologie. Omdat ik een gelovig persoon ben, maar ook als een methode.”

In verschillende essays buigt u zich over de verhouding tussen de wetenschap en religie. Welke plaats heeft de literatuur in die constellatie?

„Wetenschap hangt samen met de perceptie van tijd en ruimte, dat zijn precies de elementen waar ook het werk van fictieschrijvers op drijft. En we mogen ook nooit de schoonheid van de wetenschap over het hoofd zien. Ik spoor mijn schrijfstudenten altijd aan om wetenschappelijke tijdschriften te lezen. Er is geen reden om je te houden aan archaïsche aannames als je je denken kunt scherpen aan de moderne natuurkunde. Maar neem de vreemdheid van licht of tijd, als je goed kijkt zie je dat wat de wetenschap ook ontdekt, men blijft in het duister tasten.”

En welke rol spelen de kunsten?

„Kunst erkent de mensheid. Als mensen zich sterk aangegrepen voelen door muziek, als een toneelstuk of roman ze tot tranen roert, dan is dat omdat ze voelen dat er diep in hen iets wordt onderkend. Iets wat hun wezen raakt. De wetenschap dreigt zulke erkenning uit te sluiten.”

Het is bijna tijd om afscheid te nemen, dus nu móéten we het er nog even over hebben: vorige maand werd Robinson voor de New York Review of Books geïnterviewd door president Obama. Op zijn verzoek, onder het motto: ‘Ik voer gewoon een gesprek met iemand die ik echt aardig vind en dan zien we wel wat er van komt.’

Uw gesprek met Obama – wat voor effect had dat op u?

„Nou het was vreemd. Ik had hem een paar keer ontmoet…”

...en hij citeerde u al in een speech…

„...en toen citeerde hij me verkeerd. Mijn zoon zag het op televisie en riep: ‘That’s not mum’s syntax!’ Sterker, zoals de president het formuleerde sloeg het eigenlijk nergens op.”

Marilynne Robinson krijgt nu een halve slappe lach, die aanzwelt als ik vraag wat de quote dan wél was.

„Ik weet het zelf ook niet meer. Het was een definitie van genade, iets over het menselijk reservoir aan goedheid. Het maakt niet uit, het viel niemand op. Het publiek vond het mooi en ik voelde me vereerd.

„We hadden elkaar weleens ontmoet, meer niet. Maar president Obama is een innemende man en heel gemakkelijk om mee te praten. Ik was niet eens geïntimideerd – wat ik eigenlijk wel had moeten zijn, bedacht ik achteraf. De president van de Verenigde Staten, de machtigste man ter wereld, stelde vragen, aan míj. Daar zat ik, little miss Idaho. Met in alle vier hoeken van de kamer reporters en veiligheidsmensen. Ze waren muisstil. Dat wel.”