Ik ben mezelf, één en waanzinnig

‘We proberen betekenis te geven aan het bestaan, maar eigenlijk gaat het nergens over.’ Dat las ik in een gesprek dat Maartje Wortel had over haar roman IJstijd (2014). We proberen zin te geven aan het leven, zegt ze hier, maar eigenlijk ís er helemaal geen zin. Dat kan een levensopvatting zijn, maar voor een schrijfster wordt het dan wel lastig. Het houdt in dat zij haar romanfiguren op een kansloze missie stuurt en haar lezers met vreemde vogels opscheept.

Dat is, geloof ik, het probleem dat ik heb met het merendeel van de dertien verhalen die ze bijeenbracht in Er moet iets gebeuren, haar vierde boek. Ze zijn vlot geschreven en er staan erg grappige zinnen in, of ze nou gaan over incest, zelfmoord, eenzaamheid of over het verdriet om een dode hond. Maar de verhalen als geheel overtuigen me niet. Ze zijn te wispelturig, hangen te veel van losse beweringen en tegenstrijdigheden aan elkaar. In een van de verhalen komt een vrouw aan het woord die zegt dat het niet goed met haar gaat. ‘Helemaal niet goed zelfs.’ Gesprekstherapie werkt niet. Maar na een week houthakkerskamp, waar ze flink heeft kunnen hakken en van zich af schreeuwen, komt ze tot deze slotsom: ‘Ik was mezelf: één en waanzinnig.’ Met die zes triomfantelijke woorden besluit het verhaal. Probleem opgelost, zo begrijp ik. De vrouw constateert dat zij gek is, en daarmee is haar zoektocht kennelijk voltooid, terwijl hij hier juist zou moeten beginnen. Zo gaat het wel vaker: juist als het verhaal interessant begint te worden, is het alweer afgelopen.

Het minst geslaagd is nog wel de sleperige geschiedenis waarin de doopceel van schrijfster Maartje Wortel wordt gelicht. We maken kennis met twee geduchte ex-vriendinnen, met de huidige vriendin die ‘voorlopig’ Marie wordt genoemd en met allerlei relationele verwikkelingen. Het kan aan mij liggen, maar ook bij herlezing werd ik helemaal tureluurs van de hakketakkerige manier van vertellen en van alle half afgemaakte gedachten en redeneringen. Zie bijvoorbeeld wat de schrijfster wil bereiken met haar werk: ‘Ik wil begrepen worden, maar als ik er langer over nadenk, weet ik niet zeker of dat echt is wat ik wil. Er gaat iets verloren wanneer je niet wordt begrepen, maar er gaat evenzogoed iets verloren wanneer je wél wordt begrepen. Soms weet ik niet wat ik wil. Ik hoor een stem in mijn hoofd die vraagt: wat wil je nu eigenlijk?’ Het antwoord op deze vraag laat zich wel raden: ‘Ik zal eerlijk zijn. Ik weet het niet.’ Ik ook niet.