Hulppiet

Ze staat in de Kinkerstraat, onder een paraplu, en ze doet alsof er niets aan de hand is. Terwijl er juist heel veel aan de hand is, iets fundamenteels bijna. Ik schat haar een jaar of drie en ze kijkt stilletjes voor zich uit tot haar moeder klaar is met ruzie maken. Het meisje oogt eenzaam — zo in de regen te moeten staan naast een moeder die brult in de telefoon, stampvoetend, met een gebogen rug, dat gun je niemand. Iedereen op de hoek met de Jan Pieter Heijestraat kan het horen. Arme ziel. Wat zou ze denken? Misschien wel: daar gaan we weer.

‘Waarom heb je dat achter mijn rug om gedaan?’ klinkt het in Surinaamse tongval, en dat minstens zeven keer en op almaar hogere toon. De meeste woorden versta ik niet, ze blijven steken in de bontkraag van haar capuchon.

Het meisje zwijgt. Ik neem haar op. Ze draagt zwarte hoge sokken die verdwijnen in een pofbroekje. Op haar hoofd een muts met een veer. Ja, de ziel is Zwarte Piet. Haar roze paraplu is van My first Pony, misschien gekregen van de Sint, je weet het niet. Ik weet wel dat het meisje voorlopig weinig zal krijgen van haar moeder, in ieder geen aandacht.

Tijdens het stampvoeten ziet de vrouw zelfs haar baby in de kinderwagen niet. Alleen de man die haar iets heeft aangedaan lijkt ze voor zich te zien, en die is nog niet jarig. Het begint harder te regenen, de vrouw schuift de capuchon over haar hoofd en zo gaat ze al vragend waarom hij dat achter haar rug heeft gedaan de winkel in. Een tabakswinkel.

Dan treedt het meisje op. Zodra haar moeder weg is duwt de kleine Zwarte Piet haar pluutje boven de kinderwagen. Een instanthouding, vermoed ik. Broertje of zusje droog houden: iemand moet het doen. Aan de tragedie van haar moeder kan ze niets veranderen maar hier wel aan. Zij is nu de oudste. En flink moet ze zijn, want door het raam is de hand van haar moeder te zien die boven de balie fel heen en weer gaat. Een kraslot, mama zoekt geluk.

Het duurt nogal lang.

Het meisje gaat op haar tenen staan om de baby de maximale bescherming te bieden, tegen de regen en misschien ook wel tegen de langslopende vreemden in de donkere natte Kinkerstraat. Ze volhardt in haar ongemakkelijke houding tot haar moeder terug is. Misschien waant ze zich een Hulppiet, de beste van de hele wereld. Met haar lichtbruine huid is ze ook nog eens de ideale Piet voor alle deelnemers aan de pietendiscussie, maar die zal ze wel niet kennen.

De ruzie van de vrouw gaat nog steeds verder en zo steken ze over, de moeder die nu verdomme écht wil weten waarom hij dat achter haar rug heeft gedaan, de droge veilige baby in de wagen en het driejarige meisje dat naar links en rechts kijkt om te zien of er auto’s komen.