Een roomse ijzervreter

Deze voorman van het katholicisme was een extremist. Alleen zíjn geloof bracht de beste mensensoort voort, vond hij. Hij schreef zelfs ‘een lied tot de bekering van Nederland’.

Gerard Brom, ‘een ideoloog met een overspannen programma’, geportretteerd door Jan Toorop omstreeks 1910 Foto ANP Photo

Het katholieke land van belofte was nooit weg uit het hoofd van deze vergeten katholieke voorman uit de vaderlandse geschiedenis. Hij was als het ware met het apostelkleed aan geboren, voorbeschikt tot verkondiging. En getuigen zou hij: op een orgeltoon en in een opgeschroefde taal, waar ieder normaal mens schele hoofdpijn van zou krijgen, en die je nu alleen nog in een moskee of op de Bible Belt hoort.

Hij zou zelfs ‘een lied tot de bekering van Nederland’ schrijven, voor minder deed hij het niet. Toch droeg hij – extremist in zijn geloof en voor zijn medegelovigen – nooit een priestertoog. Dat strookte niet met zijn gekoesterde illusie dat in zijn decennia – de jaren twintig en dertig – de ‘tijd van de leek’ was aangebroken. Welbeschouwd was genoemde voorman, Gerard Brom (1882-1959), boven alles een ideoloog met een overspannen ‘programma’, dat kenmerkend was voor laat 19de-eeuwse soortgenoten van een generatie vóór hem van een andere denominatie. Voor vuurbollen als de gereformeerde leider Abraham Kuyper en de socialist Ferdinand Domela Nieuwenhuis, die met harde of zachte dwang heel Nederland wilden belonen met hun ‘nieuwe aarde’. Levensbeschouwelijke imperialisten dus, die moeizaam konden leven met de gedachte dat andersdenkenden niet eveneens het licht zouden zien.

Brom deelde met hen hun rusteloze radicalisme. De latere Nijmeegse hoogleraar kunstgeschiedenis en letterkunde en roomse activist heeft nu zijn biografie, geschreven door de Nijmeegse historicus Paul Luykx. Het ademt katholiciteit en vereist katholiciteit, om het te begrijpen. En dát is een probleem. Voor de lezer die dreigt te verdwalen in een woud van namen van kleine roomse reuzen met titanenruzies die achteraf veelal dwergenkwesties blijken.

Maar belangrijker is dat katholiciteit als vanzelfsprekend gegeven een dilemma zou moeten zijn voor de auteur. Luykx stelde ooit vast dat de roomse geschiedschrijving leed aan een soort blikvernauwing. Men zag alleen de eigen grootheid, terwijl het katholicisme, ondanks het getalsmatige overwicht, een marginaal verschijnsel was hier te lande. Het gevolg: boekenkasten vol over de eigen subcultuur, dikke rijen historische isolementslectuur zogezegd.

Aan die stapel is nu weer een exemplaar toegevoegd, waarbij opgemerkt moet worden dat dit boek er toch toe doet. Al was het maar omdat eruit blijkt hoe Nederland moeite had met een agressief roomse ijzervreter als Brom en hoe hij ook in eigen kring niet zomaar populair bleek. Brom liep als jonge Sturm und Drang-katholiek blootshoofd, met baard en wilde haren (net als Kuyper en Nieuwenhuis), rookte niet, dronk niet, at vegetarisch, vond een andersgelovige vrouw die hij bekeerde en die hem leerde reidansen.

Brom is niet zomaar in te passen in het schema van roomsen die op een roomse manier op weg zijn naar de glorie van de voltooiing van de roomse zaak. En juist aan dat ‘anders’ zijn hecht de auteur, die in zijn wetenschappelijke loopbaan veel werk maakte van het vinden van afwijkende gelovigen, veel waarde. Het legitimeert de lengte van zijn boek, en het rechtvaardigt voor hem de aandacht voor zijn hoofdpersoon, die op afstand heel eigengereid schijnt, maar van dichtbij – zo blijkt uit de levensbeschrijving – eigenzinnig pruttelend, betrouwbaar onderdeel is van het roomse streven naar macht.

‘Blinde nijd’

Wanneer Brom over Vondel schrijft, ziet hij bij de dichter vooral een heimelijke trek naar Rome. Soortgelijks constateert hij bij Rembrandt. Multatuli verwijt hij diens vermeende jaloerse ‘blinde nijd’ tegenover de figuur van Jezus; en over calvinisten schrijft hij niet ongeestig dat ze met hun predestinatieleer ‘een feest maken van verdoemen’. Een dergelijk rooms naar zich toe en van zich af rekenen kreeg in algemeen academisch en denkend Nederland weinig bijval.

Tegenover de binnenwereld was Brom al net zo brutaal als tegenover de buitenwereld. Ook hier geldt dat zijn onbesuisdheid in eigen ogen de katholieke graal diende. Schijnbaar anti-clericaal, ging hij tekeer tegen een priesterkaste die zich meer bekommerde om haar zaterdagavondwijntje dan om haar zondagochtendpreek. De gewone gelovige kreeg er evenzeer van langs. Het ‘renteniersgevoel van zekerheid’ moest afgeworpen, God en geloof opnieuw innerlijk en uiterlijk veroverd, zodat de onverschillige buitenwacht kon zien wat een voorbeeldig vrome activistische burgers de katholieken waren.

Dat de kerk vooral leergezaggevoelige gelovigen wenste, de zeloot Brom begreep het niet; dat het kortstondige tijdperk van ‘de leek’ in Nederland pas aan kon breken toen dat van de geheiligde priester op het altaar voorbij was, de vrome fanatiekeling Brom kon het niet voorzien; dat de meeste katholieke voormannen omzichtig opereerden in wantrouwend calvinistisch gestemd Nederland, de penridder Brom snapte het niet. Zijn leven stond in het teken van de grote expansionistische droom, die elke religie eigen is. Het katholicisme had in Nederland ooit een gevaarlijke romantische kant. Zo leert deze biografie, bladzijde na bladzijde.