Een eerlijke jurist willen zijn bij een kwaadwillige overheid

Dood van een gelukkig man van Giorgio Fontana speelt zich af tijdens de anni di piombo, de ‘loden jaren’ waarin Italië werd geteisterd door terrorisme van extreem-links én extreem-rechts. Giacomo Colnaghi is als officier van justitie belast met het onderzoek naar de moord op een bekende christen-democraat; de aanslag is opgeëist door de Rode Brigades. De briljante magistraat maakt lange dagen op het Paleis van Justitie in Milaan, ziet vrouw en kinderen bijna niet, wordt slecht betaald en moet vrezen voor een aanslag. Zijn taak is nóg zwaarder vanwege een innerlijk conflict: hij ziet scherp de tekortkomingen van de overheid die hij dient, een rechtse overheid die de terroristische dreiging als vrijbrief voor een repressief beleid gebruikt.

Maar Giacomo Colnaghi is een man met een missie. Zijn ideaal van gerechtigheid is nooit verflauwd tot de bureaucratische variant van zijn collega’s , en dat komt door de blijvende herinnering aan zijn in de Tweede Wereldoorlog gefusilleerde vader.

Fontana (Milaan, 1981) vertelt afwisselend het verhaal van de vader in het communistische verzet in 1944 en dat van de zoon tégen het communistische verzet in 1981. Dat laatste verhaal is minder spannend dan je zou mogen verwachten. Als de hoofdverdachte van de moordaanslag op de christen-democraat gearresteerd is, ga je als lezer eens goed zitten voor het psychologische steekspel dat de daaropvolgende ondervraging ongetwijfeld zal opleveren. Maar juist bij deze cruciale scène laat Fontana het afweten, het verhoor wordt een uitwisseling van voorspelbare ideologische argumenten, een anti-climax.

Ook bij het interessante rechtsfilosofische thema (de noodzaak van mededogen met daders) blijft de auteur aan de oppervlakte. Fontana richt zich met meer succes op alledaagse scènes uit het leven van een burgerman, wiens huwelijk is gaan draaien ‘om een kern van kristalheldere, respectvolle stilte’. Wanneer Colnaghi eindelijk weer eens tijd heeft om met zijn vrouw uit eten te gaan, merkt hij tot zijn ergernis dat ze een beetje slurpt. En dan staat er: ‘Door met zijn neus en oren te trekken, zette hij zijn bril goed.’ Op zulke momenten toont Fon- tana dat hij zijn vak verstaat, maar toch doet dit boek onder voor zijn sterke voorganger Het geweten van Roberto Doni, waarin een strafzaak wél verrassende wendingen kende en het innerlijk conflict van de jurist in kwestie navranter werd getekend.