Column

Dom gelul

Wat is Nederland een kutland geworden”, zei een grachtengordelvriend toen ons na de Champions League op de volkszender weer eens een spiegel werd voorgehouden. Aan ons door onszelf zo geprezen, prachtige lichaam hing opeens een lelijke onderbuik. We hadden het een tijd niet willen zien, maar zaten er tegenwoordig ongewild vaak langdurig naar te kijken. Dit was niet zomaar wat overtollig vet, de kwabben hingen inmiddels tot over de broekriem.

Dit zagen we:

Dat de tenten van de vluchtelingen, die humaan zijn weggewerkt in de bossen bij Nijmegen, lekten.

Dat in de buurt Dolphia in Enschede onbekenden veertien halve varkenskoppen en een plastic zak met bloed hadden gelegd op de plek waar een asielzoekerscentrum moet komen. Van een man die ons van onder zijn mutsje met uitdrukkingsloze ogen aankeek hadden het ook bommen mogen zijn. De boodschap was duidelijk: liever varkensstront dan gelukszoekerspoep.

Daarna naar Steenbergen, waar weer een hoop bezorgdheid op de been was. De gemeenteraad was er toch maar gezwicht. Er kwam daar geen asielzoekerscentrum. De vergadering erover was voor Steenbergse begrippen fatsoenlijk verlopen. Een bezorgde mevrouw hield de raadsleden vanaf een briefje voor dat je met vluchtelingen „gespuis” binnenhaalde en waarschuwde voor de komst van IS-strijders naar Steenbergen. De burgemeester was na afloop nog trots ook op het democratisch proces dat het dorp de afgelopen tijd had doorgemaakt en waarin argumenten als „pak je kameel en rot op” en „daar moet een piemel in” zwaar hadden meegewogen.

Niet dat de bezorgde burgers tevreden waren. De toegezegde woningen voor statushouders moesten ook van de baan. „Daar is hier ook geen draagvlak voor”, zei een een inwoner direct na afloop. In zijn ogen was te zien dat hij het meende.

Andersom leek het me voor vluchtelingen in kwestie ook geen straf om niet in Steenbergen, of Dolphia of Rotterdam-Beverwaard te hoeven inburgeren. Succes daar met je hoofddoek, de inteelt is er waarschijnlijk dichterbij dan thuis. Probeer daar maar eens een gesprek te beginnen in de Jumbo. Van wat zich buiten de gemeentegrenzen afspeelt weten ze niets, wat ze onthouden is of Jan de Hoop bij het ochtendnieuws wel of geen bij zijn trui passende mok op zijn desk had staan.

„Wij gaan door tot ze eindelijk naar ons luisteren”, zeiden ze na de raadsvergadering in Steenbergen tegen alle beschikbare camera’s. Hier werd de spijker weer niet op de kop geslagen: we luisteren de hele tijd, maar we horen alleen maar dom gelul.