De mens leeft toevallig en hij sterft toevallig

Na Babbitt van Sinclair Lewis en Winesburg, Ohio van Sherwood Anderson brengt uitgeverij Van Oorschot opnieuw een te weinig gelezen Amerikaanse klassieker in vertaling: The Bridge of San Luis Rey van de toneel- en romanschrijver Thornton Wilder (1897-1975). Het bescheiden boek uit 1927 maakte diepe indruk op de generaties voor ons, won de Pulitzer Prize for Fiction en behoorde tot de favoriete romans van Ayn Rand, Stephen King en Tony Blair. In Cloud Atlas van David Mitchell is een van de zeven verhalen zelfs gewijd aan een zekere Luisa Rey, die – in haar auto – van een brug geduwd wordt.

De aantrekkingskracht van De brug van San Luis Rey ligt in de morele en theologische vragen die het aansnijdt. Als op een julidag in 1714 de mooiste hangbrug van Peru breekt en vijf reizigers in de afgrond worden geslingerd, is er één getuige die zijn leven lang niet meer loskomt van de schok: de franciscaan Juniper. ‘Waarom is dit déze vijf overkomen’, vraagt hij zich af. Wat hadden ze misdaan om zó te sterven? Het instorten van de brug was ‘een zuiver voorbeeld van goddelijk ingrijpen. Het verschafte een volmaakt laboratorium. Hier kon men eindelijk Zijn bedoelingen in hun pure vorm achterhalen’.

Broeder Juniper werkt zes jaar aan een dik boek, dat met zijn auteur op de brandstapel eindigt, omdat hij gevaarlijk dicht bij de conclusie komt dat we voor God ‘als vliegen zijn die door jongens worden doodgeslagen op een zomerdag’. Twee eeuwen later neemt een moderne schrijver zijn werk (en teruggevonden aantekeningen) over; hij boekstaaft nauwgezet de levens van de vijf slachtoffers, die geen van allen opvallend ‘goed’ of opvallend ‘slecht’ blijken. Ook hij komt tot de – onuitgesproken – conclusie dat de mens toevallig leeft én toevallig sterft.

De brug van San Luis Rey heeft een magistraal eerste deel (‘Misschien bij toeval’) en een beeldschoon laatste deel (‘Misschien met opzet’). De tussenliggende drie delen, waarin de levens van een aantal koloniale kopstukken beschreven worden, zijn wat minder bijzonder, en leiden af van de filosofische inzet van Wilders boek. Al krijg je geen kans om je te vervelen, omdat Wilder een prettig laconieke stijl heeft die in de vertaling goed overeind blijft. Ik had niet graag de volgende, onnavolgbare zin gemist: ‘Er was iets in Lima wat in meters paars satijn was gehuld waaruit een reusachtig opgezwollen hoofd en twee dikke beparelde handen staken; en dat was de aartsbisschop.’