Aanslagen Parijs vragen om Europees leger

Nu probeert elke lidstaat zijn krijgsmacht vorm te geven als een Zwitsers zakmes. Een klein beetje van alles maar in feite niets, constateren Europarlementariër Marietje Schaake en Kamerlid Wassila Hachchi (D66).

Na de aanslagen in Parijs riep president Hollande op om artikel 42, lid 7 van het Verdrag van de Europese Unie in werking te laten treden. Daarin staat dat als een lidstaat op zijn grondgebied wordt aangevallen, de andere landen hulp en bijstand leveren.

Het is de EU-variant van artikel 5 van het NAVO-verdrag; allen voor één. Opmerkelijk dat Hollande juist niet dat artikel aanhaalde, zoals George Bush destijds wel deed na de aanslagen van 11 september 2001. Het is de eerste keer in de Europese geschiedenis dat een lidstaat een beroep doet op artikel 42. Hiermee kan Europa nadrukkelijk afzonderlijk van Amerika opereren.

Een onderdeel van de Europese hulp en bijstand aan Frankrijk zal militair zijn. In elk geval ontstaat nu een moment dat de weerstand bij lidstaten om meer samen te werken kan doorbreken. De afgelopen jaren is er veel gezegd over meer defensiesamenwerking, maar daden ontbreken. Er is geen coördinatie of Europees actieplan. Ondanks een periode van Russische agressie aan de Europese oostgrens, de gevaarlijke verbrokkeling van Libië aan de zuidgrens, uiteenvallende staten in Afrika en een steeds diepere chaos in Syrië en Irak, zijn er de afgelopen jaren amper stappen gezet om het Europese defensiebeleid op poten te zetten.

De gevolgen van de brandhaarden om ons heen hebben niet alleen gevolgen in de regio, maar ook direct effect in Europa. Wereldwijd terrorisme, toenemende vluchtelingenstromen en grotere energie-onzekerheid. Natuurlijk los je al deze crises niet op met een Europees leger. Maar om überhaupt een rol te kunnen spelen op het internationale wereldtoneel, heeft Europa ook een effectieve strijdkracht nodig. Diplomatie is slechts geloofwaardig als militaire actie kan worden gebruikt als ultimum remedium. Geen soft power, zonder hard power.

Een geloofwaardige en vooral effectieve strijdkracht moet een onderdeel zijn van het bredere Europees buitenlandsbeleid, één van de stukken gereedschap in de kist. Daarvoor zijn grote stappen en heldere keuzes nodig. De 28 Europese lidstaten geven samen al meer uit aan defensie dan China of Rusland. Nu probeert elke lidstaat zijn krijgsmacht vorm te geven als een Zwitsers zakmes. Een klein beetje van alles maar in feite niets. Een veelzijdig inzetbare krijgsmacht op nationaal niveau bestaat alleen op papier. D66 wil naar een veelzijdig inzetbare krijgsmacht op Europees niveau. Dat begint bij gezamenlijke opslag en onderhoud en het delen van ondersteunend materieel zoals vrachtwagens, transportvliegtuigen en helikopters en tankvliegtuigen. Dat scheelt een hoop geld. Lidstaten moeten ook keuzes maken welke militaire capaciteit ze willen handhaven. Dat kan alleen door te kiezen en gericht te investeren. Wat D66 betreft kiest de Nederlandse krijgsmacht voor een focus op de luchtmacht en de marine. Met je partners kun je vervolgens meerjarige overeenkomsten aan, zodat je lange-termijn samenwerking kan vormgeven en zeker bent van elkaars commitment. Een combinatie van nationale trots en traditie, gebrek aan vertrouwen in elkaar en protectionisme van de eigen defensie industrie verhinderen effectief beleid.

En niet alleen de materiële samenwerking ontbreekt, ook als het aan komt op besluitvorming en financiering is Europa niet effectief. Doordat elke lidstaat vetorecht heeft, is het lastig een mandaat te krijgen voor een missie. En al is er een mandaat, er is geen Europees budget. Elke lidstaat moet zelf bijdragen uit de toch al beperkte nationale defensiebegrotingen. En juist daarom is samenwerking essentieel: het levert meer capaciteit met minder middelen op. Dit betekent natuurlijk niet dat de Europese Raad of Commissie landen dan zou moeten kunnen verplichten om deel te nemen aan een dergelijke missie, de inzet van soldaten zal nationaal blijven worden bepaald.

Tegenstanders van meer Europese defensiesamenwerking zeggen vaak, ‘maar we hebben toch de NAVO?’. Maar het is geen keuze tussen NAVO óf EU, het gaat om een keuze voor een sterke EU-tak bonnen de NAVO. Bijna geen enkele EU-lidstaat geeft het binnen de NAVO afgesproken bedrag uit aan defensie; we outsourcen onze defensie kennelijk nog steeds liever uit aan de Verenigde Staten. Waar mogelijk moeten we binnen NAVO optreden, waar nodig hebben we de flexibiliteit nodig om dat in EU-verband te doen.

De EU-buitenland chef, Federica Mogherini, werkt aan een nieuwe visie voor het gezamenlijk buitenlands- en veiligheidsbeleid. Het Nederlandse voorzitterschap van de EU nadert rap. Dit is een kans om echte stappen te zetten richting meer Europese defensiesamenwerking, waarin Nederland een voortrekkersrol kan en moet spelen. De brandhaarden rondom Europa en de aanslagen binnen onze grenzen, tonen aan dat de wereld geen veilige plek is. De gordel van ellende rondom onze grens is een zeer reële dreiging, zoals de aanslagen van afgelopen week wederom aantoonden.

Als Europa een rol wil spelen in het oplossen van deze problemen, is een sterke defensie onontbeerlijk. We moeten nu een strategische keuze maken voor meer en betere samenwerking en een heldere taakverdeling. Laten we niet wachten op nog meer crisis voordat we dat eindelijk gaan doen. Zodat een toekomstig beroep op Europese solidariteit onder artikel 42 lid 7 een snelle slagvaardige respons kan krijgen.

Lees ook:
'Bestrijding terrorisme begint bij definitie en tribunaal'
Vier scenario’s voor Syrië: kies de minst slechte