Tam en eigenwijs jong talent

De Rijksakademie in Amsterdam zet de deuren open en toont wat jong talent vermag.

De Iraanse schilder Sam Samiee is een van de beloftes van Rijksacademie-expositie dit jaar. Foto Olivier Middendorp

Bezems schrapen het vuil van de vloeren, een enkel atelier is nog potdicht, het zaaltje waar het filmprogramma moet draaien verkeert in krakkemikkige staat en de vertoonde films worden overstemd door het geluid van een windhoos die de Marokkaanse kunstenaar Mahmoud Bakhshi in zijn naburige atelier laat razen. Nog niet alles verliep gisteren vlekkeloos, op de eerste dag dat de Amsterdamse Rijksakademie de deuren opende van de ateliers van haar 46 ‘deelnemers’. Anders dan voorgaande jaren werd het performanceprogramma, toch altijd goed voor één duizelingwekkend moment van schoonheid of ontroering, afgelast.

De jaarlijkse RijksakademieOPEN is uitgegroeid tot een spectaculair, niet te missen evenement in de Nederlandse kunstwereld. Vier dagen lang laat de Rijksakademie, die ieder kalenderjaar kan kiezen uit zo’n 1200 tot 1400 aanmeldingen waaruit 20 tot 25 kunstenaars voor een periode van twee jaar worden geselecteerd, publiek binnen. Dat publiek - gewone en professionele liefhebbers - verdringt zich tijdens de paar open dagen langs smalle gangen en over ijzeren trappen, op zoek naar Het Talent van de Toekomst. Wat hebben de kunstenaars het afgelopen jaar gemaakt binnen de muren van hun ateliers, in perfect geoutilleerde werkplaatsen en in samenspraak met begeleiders ‘van internationaal topniveau’ - zoals directeur Els van Odijk in de catalogus schrijft? Is het verwachte talent zichtbaar? Die vraag is dit jaar zeker niet met een eenduidig ‘ja’ te beantwoorden. Was de lichting van 2013 aan alle kanten beloftevol, die van 2014 was tam, en die van dit jaar evenzeer. Zo is het zoeken naar geëngageerde kunstenaars en dan zeker naar hen die de politieke werkelijkheid niet ‘plat’ registreren. Opmerkelijk veel deelnemers laven zich aan esoterie en mysticisme, met wisselend resultaat: de ‘gebedsruimte’ van Riley Harmon (VS, 1987) steekt boven de andere presentaties uit. Er zijn kunstenaars die zulk tenenkrommend werk maken, dat je je afvraagt waar de topbegeleiders hebben gezeten. En er zijn natuurlijk toch gelukkig altijd die paar grote beloftes die gewoon hun eigen gang gaan. De Franse Pauline Curnier Jardin is er een voorbeeld van, evenals de Cubaanse filmmaker Adrian Melis, de Iraanse schilder Sam Samiee, en de Nederlandse Robbert Weide. Weide - eerste jaar op de Rijks - heeft zijn atelier met royale gebaren omgetoverd tot een ijl, mechanisch universum waar alles tikt, druppelt en beweegt. Hij is gewoon aan de slag gegaan, zonder technische hulp, ‘stronteigenwijs’ zoals hij zelf zegt. Ook dat is een talent.