Portretten van grofvuil en duur zilver

Het heeft iets oneerbiedigs, om je grote held af te beelden door middel van een roestige regenpijp, een pvc-buis en wat stukken hout. Toch is het portret dat Emo Verkerk in 1997 maakte van cellist Tristan Honsinger een aandoenlijk beeld. Zodra je de titel leest, zie je in de stukjes hout de beweeglijke vingers van de jazzmuzikant, in de pvc-pijp zijn strijkstok en in de regenpijp de hals van zijn instrument.

Verkerk (1955) vormt nu met beeldhouwers Morgan Betz (1974) en Joost van den Toorn (1954) een gelegenheidstrio dat samen exposeert op The Sculpture Show bij Willem Baars Projects. In de helwitte galerieruimte vormen hun sculpturen een schitterende indoor beeldentuin, hel verlicht door ledlampen. De kunstwerken, allemaal bescheiden van formaat, lijken te zweven in de ruimte.

Wat ze gemeen hebben, is hun tegendraadsheid en hun humor. Het is moeilijk om niet in lachen uit te barsten bij het zien van de Hedendaagse Postmoderne Vaas (2014) van Joost van den Toorn, een knullig in elkaar gekleide constructie van felgekleurde blokken en cirkels. Alsof de kubuswoningen van Piet Blom bovenop een Memphis-vaas zijn gezet en zo de keramiekoven in zijn gesmeten.

Grappig is ook de sculptuur van Morgan Betz waarbij een slungelig been, gestoken in skinny black jeans en een Converse gymp, over een Thonet-stoeltje hangt. Het been gaat direct over in een arm, zonder dat er een lijf of hoofd aan vastzit. Toch zie je er zonder problemen een hangerige puber in. Net als bij Verkerks portret vult je hoofd de leemtes zelf wel op.

Betz en Verkerk weten van de eenvoudigste materialen – de meeste lijken gevonden bij het grofvuil – herkenbare figuren te maken. Zoals ook Joan Miró dat als geen ander kon en, iets recenter, de Britse Sarah Lucas. Van den Toorn zet daar werken tegenover die juist heel kostbaar zijn – zo bestaat zijn House of Pain (2002) uit meer dan drie kilo puur zilver – maar er heerlijk do-it-yourself uitzien. Een fantastische combinatie.