Ik benoem alles, ik wil niet beleefd zijn

Regisseur Pablo Larraín maakte een harde, confronterende film over seksueel misbruik in de katholieke kerk.

Beeld uit El Club.

Regisseur Pablo Larraín (Santiago, 1976) vestigde zijn reputatie met films als Tony Manero en Post Mortem, die hard beuken op de taboes en misstanden in zijn vaderland Chili. Ook El club is weer zo’n directe, confronterende en onbehaaglijke film. Deze keer pakt Larraín de misbruikschandalen in de katholieke kerk aan. Vier ontspoorde priesters zijn weggestopt in een verlaten oord aan de Chileense kust. Daar houden ze zich onledig met gokken op hun rashond in racewedstrijden. Dat verandert als een van de misbruikslachtoffers, – inmiddels een volwassen, verwarde man – opduikt bij hun schuilplaats en luidkeels verhaal komt halen. Larraín sprak in februari met journalisten op het filmfestival van Berlijn, waar El club de Zilveren Beer (de tweede prijs) won.

Zijn er veel van zulke schuilwoningen voor in opspraak geraakte priesters in Chili?

„Niet alleen in Chili, over de hele wereld. In het verleden was de katholieke kerk misschien bang voor de hel, maar tegenwoordig boezemen de media het meeste angst in. De kerk is vooral bezorgd om haar reputatie. Priesters die zich hebben vergrepen aan kinderen, of zich op een andere manier hebben misdragen, worden weggestopt in dit soort huizen, nog voordat er een schandaal kan ontstaan. Daar zitten niet alleen pedofiele priesters, maar ook geestelijken die in een geloofscrisis zijn geraakt, of die psychische problemen hebben.

„Dat is natuurlijk interessant materiaal. Maar ik ben geen journalist, ik wijs niet met een beschuldigende vinger, ik klaag niemand aan. Dat is een taak voor journalistiek en voor de media. Kunst kan dat niet doen. Het enige wat ik probeer te doen, is een interessant onderwerp oppakken, en dat op een manier presenteren die zo gevaarlijk en subversief mogelijk is.”

Toch zit er ook een onderstroom van woede in de film, over het misbruik en de daders die nooit zijn berecht.

„Voor elk van deze priesters heb ik geprobeerd om een eigen wereld te creëren. Ik heb geprobeerd om ze met mededogen af te schilderen, wat je verder ook van hun daden kunt vinden. Ik probeer zo dicht mogelijk bij de personages te komen als menselijkerwijs mogelijk is. Daardoor zie je ook dat deze mannen eigenlijk heel kwetsbaar zijn, voorals als ze alleen zijn. Als groep zijn ze heel gevaarlijk.”

Verbaal is de film expliciet en obsceen, alle details van het misbruik worden bij naam genoemd. Waarom was dat nodig?

„Ik heb eerst een theatermonoloog gemaakt over hetzelfde onderwerp, eveneens met Roberto Farías, die ook het slachtoffer speelt in de film. Daarvoor heb ik veel research gedaan en gesprekken gevoerd met de mensen die zijn misbruikt, vaak jarenlang. Als je met de slachtoffers praat, die inmiddels volwassen zijn, vertellen ze soms heel gedetailleerd en onaangedaan over het misbruik. De schade die door langdurig misbruik is aangericht, zit zo diep, dat er bijna geen gevoelens meer zijn, ook geen schaamte. Ik heb besloten om de man in de film precies zo te laten praten, met evenveel details en evenveel herhalingen. Dit is wat er is gebeurd, en je zult dat moeten aanhoren ook. Je kunt de bioscoop uitlopen. Maar als je mijn film wilt zien, dan zul je ook die details moeten aanhoren. Ik zal de dingen bij hun namen noemen, ik zal zeggen hoe vaak iemand is misbruikt, en hoe. Ik wil niet beleefd zijn of zaken met de mantel der liefde bedekken. Misschien komt daar inderdaad de woede vandaan in de film.”

U heeft veel muziek gebruikt, van Bach, Benjamin Britten en Arvo Pärt.

„Ik ben geobsedeerd door klassieke muziek. Ik heb dit jaar voor het eerst een opera geregisseerd, Kát’a Kabanová van Janácek. Dat was een heel mooie ervaring. Ik heb nog nooit zoveel muziek in een film gebruikt, ik geloof dat er 53 minuten muziek in de film zitten, ongeveer de helft van de tijd. Dat is echt veel. Maar zonder die muziek zou de film niet helemaal afgerond en compleet zijn.”

De priesters zijn angstaanjagende, bijna demonische figuren.

„Dat is aan de kijker, niet aan mij. Ik wil de film zoveel mogelijk openlaten. Ik hou niet van films waarin goed en kwaad helder en duidelijk zijn verdeeld. Want dan begrijp ik niet wat nog mijn eigen rol is als toeschouwer. Dan heb ik als kijker niks meer te doen.”

Zegt het begrip ‘het kwaad’ u iets?

„Niet echt. Je kunt geen licht hebben zonder duisternis: juist de duisternis maakt het licht zichtbaar. Dat geldt ook voor goed en kwaad. Je kunt het een niet hebben zonder het ander. Alleen met mededogen kun je je staande houden in het leven. Deze film had in een vroeg stadium als werktitel ‘Compassie’. Ik heb oprecht geprobeerd om van deze priesters te houden.”