Fantastisch: ik hang naast Rembrandt

Werk van de Brits-Indiase kunstenaar Anish Kapoor is vanaf morgen te zien naast dat van Rembrandt. Een ongelijke strijd? Kapoor: „In het beste geval wordt het een oefening in nederigheid.”

Foto Getty Images

Een abattoir, daar doet het atelier van Anish Kapoor nog het meest aan denken. Rode spetters op de vloer, die uit voorzorg al is afgedekt met beschermend plastic. Tegen en aan de muur enorme reliëfs die veel weg hebben van een hoop bloedige darmen, samengeklonterde pezen, spieren en zenuwen. In een andere hoek witte canvassen, opengesneden alsof een chirurg ingewanden half uit een lichaam heeft getrokken. In het midden van de ruimte een krat, een lap gehavend rozig vlees erover.

Wie Anish Kapoor (Bombay, 1954) kent van zijn minimalistische glanzend gepolijste beelden, zoals zijn beroemde Cloud Gate in Chicago, van Marsyas, de immense vleeskleurige ‘toeter’ waarmee hij de enorme Turbine Hall van de Tate Modern in Londen volledig vulde in 2002, of van de Orbit, de toren in het voormalige olympische park in Londen die wel wordt vergeleken met een mislukte achtbaan, zal even schrikken van zijn nieuwste wending.

Juist dit werk is vanaf morgen te zien in het Rijksmuseum. Tegenover Rembrandts De Joodse Bruid, diens Zelfportret als Paulus, De Staalmeesters, en Titus in monniksdracht, komen drie Kapoors te hangen.

De Brits-Indiase kunstenaar ziet het met „enig angst en beven” tegemoet, vertelt hij als hij rondleidt door zijn Zuid-Londense atelier. „Deze stukken zijn drie, vier jaar oud. Ze zijn slechts één keer eerder vertoond, in de Lisson-galerie hier in Londen. Ze hebben lang niet die plechtstatigheid, dat belang, dat Rembrandts werk al meerdere generaties heeft.”

„Natuurlijk gaan mensen vergelijken, en zeggen dat mijn werk shit is. Fair enough”, zegt hij. Hij lacht: „In het gunstigste geval wordt dit een oefening in nederigheid.”

Maar hij begrijpt het „moedige” verzoek van het Rijksmuseum. „Je kunt oude kunst niet bekijken zonder naar moderne kunst te kijken – het helpt te beoordelen wat we nú doen. Misschien zien we Rembrandt opnieuw. En het gaat niet per se om beter of slechter. Het is ook mogelijk andere wendingen te zien, andere betekenissen.”

Kapoor is geen vreemde als het gaat om juxtapositie. Deze zomer stond zijn Dirty Corner, een roestbruine toeter omringd door rotsen en aarde, in de onberispelijk gestileerde zeventiende-eeuwse tuinen van Versailles. Hij wilde iets rauws zetten tegenover „die beheerste natuur, waarin iedere boom is geschoren”, een donkere ruimte tegenover het weerspiegelende licht van het water in de tuin.

Controverse ontstond nadat hij in een interview zijn Dirty Corner had vergeleken met een koningin die zich omringde met bewonderaars – een verwijzing naar Versailles als centrum van politieke macht. Het werk kreeg vervolgens de bijnaam ‘de vagina van de koningin’. „Vanaf dat moment: haat.” Vier keer werd het beklad, met antisemitische leuzen. Die waren een verwijzing naar zijn afkomst – Kapoor heeft een Perzisch-Joodse moeder. Hij kreeg haatmail, en moest voor het eerst in zijn leven worden bewaakt.

De verder goedlachse Kapoor klinkt nog altijd boos: „Geen enkele steun kreeg ik van Versailles. Geen enkele Franse intellectueel durfde het voor me op te nemen. Terwijl geweld tegen kunst in Versailles hetzelfde is als geweld tegen kunst in Irak of Syrië. Wat is er mis met ze?”

„In eerste instantie liet ik de graffiti verwijderen. De tweede keer vond ik dat we het zo moesten laten.” Daarin steunde de Franse president hem. Maar Versailles werd voor de rechter gedaagd en de beeldhouwer moest de teksten verwijderen. „Opeens waren wij de antisemieten.” Hij bedekte de leuzen met goudpapier „om te laten zien dat er iets was gebeurd”.

Glijbaan

Het is niet de enige ophef deze herfst over zijn kunst. De Orbit lijdt verlies, en burgemeester Boris Johnson van Londen besloot dat er een glijbaan aan de toren moest komen. Zonder met hem te overleggen, zegt Kapoor. „Ze maakten er een attractie van, wat dat ook in godsnaam moge zijn. Het is een kunstwerk.” Hij zucht diep. „Ik kon twee kanten op: oorlogvoeren met Boris of een oplossing zoeken. Na enig denken, besefte ik dat glijbanen niet mijn ding zijn. Dus vroeg ik Carsten Höller – hij doet dat als beste, en het wordt vast opwindend.”

„Als je beelden eenmaal het atelier verlaten, moet je ze laten gaan. Zo is het ook met het Rijksmuseum. Ik had ‘no way’ kunnen zeggen. Maar hoe moeilijk het ook zal worden met Rembrandt in één zaal, ik kan het aan, en het is een fantastische kans.”

Het woord ‘moed’ komt een aantal keer voor in het gesprek. Mede omdat dit nieuwe werk zo ver verwijderd lijkt van zijn andere, geometrisch strakkere werk. Dat valt bij de rondleiding door het atelier – of liever vijf pakhuizen die met elkaar zijn verbonden – nog des te meer op.

De eerste ruimte is deels gevuld met kubussen van plexiglas. Hij laat een maquette van een tent zien, in de vorm van een soort staande rups van zacht gaas, die een opvouwbare discussieruimte over slavernij moet worden. Een andere maquette toont een soort aarden hooiberg en een diapositief gat dat in Stockton, Noordoost-Engeland, moeten verrijzen.

Hij houdt van experimenteren met exotische materialen. In zijn bibliotheek haalt hij van onder een beschermende kap een schaal tevoorschijn met vantablack, het zwartste zwart. Dat wordt onder meer gebruikt om stealthbommenwerpers te verhullen. Kapoor moest toestemming vragen van het ministerie van Defensie om ermee te werken.

In een andere ruimte schaaft een medewerker – er werken vijftien man in zijn atelier – aan een stuk piepschuim. In een volgende studio hangen schotels van glasvezel en verf aan de muur, met een prachtig gevoel van diepte. In het midden staat een van zijn spiegelende beelden, maar uitgehold, alsof het een holle augurk is.

En dan komt het ‘abattoir’, een explosie van rood en verwarring. Met in een hoek, naast zijn penselen, een afbeelding van Rembrandts Geslachte Os. „Dat heb ik al sinds het begin bij me.”

„Het is misschien veiliger om één richting op te denken. Veel kunstenaars doen dat, en dat is absoluut eerzaam. Maar mijn eigen gekte zegt me dat ik moet experimenteren.”

„Misschien dat dit tot niets leidt. Niet alles kan vruchten afwerpen, dat is onontkoombaar. In de wetenschap zeggen ze: experimenteer, maar misluk en misluk snel. Dan kan je weer verder.”

Hij is nu zeven jaar bezig met dit werk, dit jaar liet hij een paar doeken voor het eerst in het openbaar zien. „Mijn regel is dat ik ze pas na minimaal zes maanden laat gaan. Omdat je fysiek ophoudt, betekent het niet dat je ook mentaal ophoudt met werken. Ik kijk naar ze, let op ze, is het te veel…”

Kapoor maakt zijn zin niet af. Hij staart naar een rozig schilderij, dat doet denken aan bloedig verband dat is opgedroogd. Het is duidelijk dat hij niet honderd procent tevreden is. Over een rond doek zegt hij: „Rond werkt niet. Mijn aandrang is formele vormen te maken, maar hierbij werkt impulsiviteit.”

Zijn nieuwe wending ligt volgens hem in het verlengde van eerder werk. „Alles wat ik maak, heeft iets met het innerlijk te maken, met een gevoel van naar binnengekeerd zijn. Dit proces komt niet uit de lucht vallen, maar het is wel iets nieuws. Heel interessant dat ze nu meteen naar het Rijksmuseum gaan, de tempel van kunst.”