Column

Alles echt

Total loss van een dag thuiswerken kroop ik in bed, op naar een welverdiende portie remslaap. Anderhalf uur later werd ik wakker met een blaas die zo vol was dat mijn navel uit mijn buik dreigde te ploppen. Geïrriteerd (ik heb sinds acht uur niets meer gedronken), opstandig (ik draai me gewoon om) en bezorgd (wat als ik in bed plas) lag ik in het donker te twijfelen of ik eruit moest. Ik lag stil om zo mijn blaas wijs te maken dat ik sliep. Drie kwartier later ging ik eruit.

De tegels op de gang waren killer dan stikstof, waardoor plassen me naast zonde van de nachtrust, ook nog eens een verspilling van warmte leek. Ik nam in het donker plaats op het toilet en liet me gaan tot ik eindelijk weer uit meer bloed dan urine bestond. Terwijl ik doortrok viel me opeens op hoe scherp de voorwerpen in mijn badkamer zich aftekenden. Ik knipte het badkamerlampje aan (Au! Godver! Mijn hoofd!) en keek om me heen. Nee, alles leek echt helderder. Alsof ik een extra stel lenzen in had. Ik spitste mijn oren. Er was nóg iets.

Normaal is er in mijn buurt altijd wel enige vorm van geluidsoverlast. Ambulances, toeristen met een bad trip, huilende baby’s. Maar vannacht was het stil. Zelfs in mijn hoofd was het stil. Ik had al een paar uur niet meer aan IS of belastingrente gedacht. In deze rust lichtten de contouren van de voorwerpen op alsof ze met een radioactieve stift waren omlijnd: het badmeubel, het emmertje, de neushaartrimmer (ik ben deels Pools). Alles leek door de stilte ontdaan van zijn sluier.

Op de terugweg bedacht ik me dat de hectiek van het leven in de grote stad ervoor zorgt dat je sommige delen van de stad niet meer waarneemt. Als iemand te hard praat, verfletst een deel van wat je ziet. Je focus richt zich nou eenmaal op de sterkste prikkel. Je hoeft in het park maar een groep tieners met een lachkick tegen te komen en hop, de kleuren kruipen in hun schulp, patronen verdwijnen in de boombast.

Aan de andere kant was alles nu wel overdreven intens. De klink van mijn slaapkamerdeur was wel érg fluorescerend grijs. Gelukkig waren het linker- en rechterneusgat van mijn bedgenoot begonnen aan een snurkcanon. Tussen het gepiep, geknor en gefluit verdween de scherpte van de contouren weer. Dankbaar voor de nasale talenten van mijn geliefde nestelde ik me in het donker. En bedacht me: als iemand ooit nog tegen mij zeurt over sleur, zeg ik gewoon dat ze hun mond moeten houden. Anders zullen ze nooit die eenhoorn naast hen opmerken. Welke eenhoorn?! Ssssst.