Voorstel: één garantiestelsel voor spaartegoeden in EU

Eén garantiesysteem moet de risico’s spreiden. Maar niet alle landen hebben een goed gevulde ‘oorlogskas’.

Grieken staan in de rij voor geld bij het Deposits and Loans Fund in Athene. Uiterlijk in 2024 moeten de nationale depositogarantiestelsels volledig Europees ‘verzekerd’ zijn.

Hoe voorkom je dat EU-landen elkaar tijdens een financiële crisis meesleuren in hun val? Dat is de vraag die Europese beleidsmakers sinds de eurocrisis intensief bezighoudt. Die leidde vorig jaar al tot Europees bankentoezicht en tot een mechanisme om banken die, ondanks het arendsoog van de Europese Centrale Bank (ECB), toch in de problemen komen snel op te rollen, voor ze grotere paniek en schade veroorzaken. Gisteren volgde het sluitstuk van deze ‘bankenunie’: een Europees depositogarantiestelsel.

Vooralsnog gaat het om een voorstel van de Europese Commissie. Het zal het komende jaar ongetwijfeld tot veel discussie en onderhandelingen leiden, aangezien verschillende lidstaten, waaronder Duitsland en Nederland, liever zelf het spaargeld van hun burgers blijven garanderen. Niet in de laatste plaats omdat niet alle EU-landen beschikken over een even goed gevulde ‘oorlogskas’ of over een even florissante financiële sector.

Maar volgens de Europese Commissie kan het niet anders. Het op eigen houtje garanderen van deposito’s door EU-landen leidde tijdens de eurocrisis tot een chaotische kettingreactie. Landen die hierbij voorop liepen leken opeens veiliger dan landen die achterbleven, en dat heeft de eurocrisis onnodig verergerd en verlengd. Spaarders haalden hun geld weg en brachten dat bij voorlopers onder. „Het afmaken van de bankenunie is essentieel voor een veerkrachtige en welvarende Economische en Monetaire Unie”, zegt de eurocommissaris voor de Euro, de Let Valdis Dombrovskis.

„Een gezamenlijk systeem zal uiteindelijk zorgen voor meer vertrouwen en een spreiding van de risico’s”, zegt ook Europarlementariër Paul Tang (PvdA), die het plan verwelkomde. „Ook Nederland heeft er met zijn grote financiële sector belang bij dat we de risico’s van omvallende banken binnen Europa delen.”

Het European Deposit Insurance Scheme (EDIS) moet spaartegoeden garanderen tot 100.000 euro, ongeacht het EU-land of de bank waar deze zich bevinden. De Commissie wil het stelsel vanaf 2017 gefaseerd invoeren. Uiterlijk moeten in 2024 de nationale stelsels dan volledig Europees ‘verzekerd’ zijn.

Tot 2020 kunnen landen alleen een beroep doen op EDIS als de eigen middelen compleet zijn uitgeput. In de tweede fase vervalt die eis, maar kunnen lidstaten nog steeds niet voor het volle pond een beroep doen op EDIS. De Europese bijdrage begint bij 20 procent en loopt dan geleidelijk op tot 100 procent in 2024.

De Europese Banken Federatie (EBF) noemde „het tempo” waarmee de Britse eurocommissaris Jonathan Hill (Financiële Stabiliteit en Kapitaalunie) handelt gisteren in een verklaring „verbazingwekkend”. Het voorstel van de Commissie „vereist zorgvuldige analyse”. De club wil vooral extra garanties dat de banken, die nu bijdragen aan nationale depositogarantiestelsels, niet op kosten worden gejaagd door het plan. Volgens de Commissie is dat niet zo, omdat wat de banken bijdragen aan het Europese stelsel afgaat van nationale contributies. Banken met een hoger risicoprofiel dragen meer bij dan relatief veiligere banken.

De EBF wijst er ook op dat niet alle lidstaten de EU-richtlijn over depositogaranties hebben ingevoerd. Naast Nederland gaat het om nog dertien landen. De regels verschillen per land. Is het dan wel wijs om een stelsel van Europese solidariteit op te tuigen?

De Europese Commissie onderkent dit en benadrukt dat er, zeker in de eerste overgangsfase, alleen een beroep op het garantiestelsel kan worden gedaan als aan álle Europese regelgeving is voldaan.