Column

Stamppotje

Ik ging voor een kant-en-klare, maar toch verse flats boerenkool met een stuk worst naar een vestiging van Stamppotje, een keten waar ze wel weten hoe ze mensen die zelf geen stamppot kunnen maken maar het wel willen eten geld uit de zak kunnen kloppen. Het logo van de zaak deed me aan het boerenbontservies van mijn moeder denken. Dat was ongetwijfeld de bedoeling, maar dan kenden ze daar mijn moeder niet. Die wilde nooit stamppot maken, die was halverwege de jaren zeventig in de wintermaanden ineens modern gaan koken met macaroni en spaghetti.

De sfeer bij Stamppotje was anders dan bij andere voedselafhaalpunten. Er werd bij voortduring door de klanten gezegd hoeveel zin ze in stamppot hadden en ook waarom ze zoveel zin in stamppot hadden.

„Ik had het koud”, zei een mevrouw met een bleek gezicht. “En toen dacht ik opeens aan boerenkoolstamppot met worst, hebben jullie dat?”

„Wat een domme vraag”, dacht ik, „je staat in een zaak die Stamppotje heet”, maar het bedienend personeel in de vorm van zo’n frisse jongen in een smetteloos wit schort vond het een normale vraag.

„Vandaag wel, maar in de zomer niet. Dan verkopen we hier ijsjes.”

„O, gelukkig”, zei de vrouw, die vervolgens heel lang ging staan twijfelen tussen andijviestamppot en boerenkoolstamppot. We mochten allemaal weten wat er in dat hoofd gebeurde.

„Ik vind boerenkool lekkerder ruiken”, zei ze, “maar ik vind andijvie lekkerder smaken. Als mijn moeder dat vroeger maakte, zat er vaak zand tussen.”

De volgende klant, een jongen met een verwaaid kapsel, wilde wel eens weten of er met dit gure weer veel boerenkool verkocht werd.

„Ja, dat zal wel”, zei hij, nadat de verkoper ‘best veel’ en ‘we mogen niet klagen’ tegen hem had gezegd. Hij had tijdens het hardlopen opeens aan boerenkool met worst gedacht.

„Dat maar doen dan?”, vroeg de verkoper.

En zo regen de zinloze gesprekken zich aan elkaar.

Ik wist inmiddels dat je zin in stamppot kreeg als het kouder begon te worden en dat er bij nogal wat mensen de behoefte bestond om het verlangen te benoemen.

„Ik stond in de file toen ik aan stamppot dacht en mijn maag begon te knorren.”

Toen ik aan de beurt was, zei ik dat ik boerenkool met worst wilde omdat ik nog niet zolang geleden een kind had gekregen.

Wat het een met het ander te maken had wist ik niet, maar de winkelbediende die inmiddels alles wel een keer gehoord had, zei dat dat vaker voorkwam.

Hij schepte in de bak met boerenkoolstamppot.

„Zoveel?”

Ik keek naar de bult op de lepel en knikte.

„Hatseflats!”, zei de verkoper.