Franse moslims zijn niet zo radicaal

Ondanks segregatie en marginalisatie radicaliseren relatief weinig Franse moslims. Ze identificeren zich met Franse waarden, aldus Leo Lucassen.

illustratie osama hajjaj

Na de aanslagen in Parijs is de vraag weer actueel hoe het is gesteld met de integratie van moslims in Frankrijk – en de dependance Molenbeek. Vormen zij een vijfde colonne, een parallelle samenleving, en daarmee een bedreiging voor de ‘westerse waarden’? Net als bij de aanslagen in Madrid en Londen in 2004 en 2005 waren het in Parijs immers ook grotendeels home grown terroristen: in Frankrijk en België geboren kinderen van arbeidsmigranten uit Algerije en Marokko, die zich keerden tegen de universele waarden van de Franse Republiek. Het idee dat de islam een onoverkomelijke barrière vormt voor de identificatie met de Franse republiek, wordt niet door de feiten ondersteund. Uit het grootschalige onderzoek Trajectoires en Origine uit 2010 van het gerenommeerde Institut Nationale de la Statistique et des Études Économiques (INSEE) en een analyse door Eric Bleich in Social Forces (2014) blijkt dat driekwart van de Franse moslims zich gedeeltelijk of geheel met Frankrijk identificeert. Onder de in Frankrijk geborenen is dat percentage nog veel hoger. En het aantal Syrië-gangers en sympathisanten met IS in Frankrijk werd in 2014 op hooguit 2.500 geschat, oftewel, 0,045 procent van de moslimpopulatie. Uiteraard kan die kleine minderheid voor enorme ellende zorgen, maar dat maakt de rest nog niet tot verdachten. Bovendien is de identificatie van moslims met Frankrijk aanzienlijk hoger dan die van Nederlandse of Belgische Marokkanen en Turken. Niet vreemd wanneer je bedenkt dat een groot deel van de Franse moslims – met name de migranten uit Algerije – zich door het gedeelde koloniale verleden veel meer verbonden voelt met het voormalige moederland dan arbeidsmigranten uit Noord-Afrika in andere West-Europese landen. Die ‘koloniale bonus’ bleek ook uit demonstraties tegen het verbod op de hoofddoek in Franse scholen in de jaren negentig. Veel vrouwelijke demonstranten met Algerijnse wortels droegen heel bewust rood-wit-blauwe hoofddoeken, met als symbolische boodschap dat je wel degelijk zowel Frans als moslim kunt zijn.

Die identificatie van moslims met Frankrijk wordt echter maar zeer gedeeltelijk beantwoord door de Franse samenleving. Daarvoor zijn twee redenen: enerzijds het Franse principe van de strikte scheiding tussen kerk en staat (laïcité) en anderzijds het ‘Algerijnse trauma’. Die traditie van laïcité is in de ogen van veel Fransen onverenigbaar met de islam. Volgens de invloedrijke links-liberale denker Alain Finkielkraut stellen moslims hun religieuze identiteit boven de Franse en tasten ze zo de culturele homogeniteit van Frankrijk aan. En in zijn laatste boek L’identité malheureuse (2013) is hij dan ook zeer somber en waarschuwt hij voor de teloorgang van de traditionele Franse culturele en politieke waarden. Een gedachtegang die sterk doet denken aan het idee van ‘minderheid in eigen land’ zoals in Nederland uitgedragen door Martin Bosma en Geert Wilders. Finkielkraut, niet gehinderd door de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek, staat niet alleen in zijn integratie-pessimistische visie. Die wordt gedeeld door velen in het politieke centrum alsook ter linkerzijde, onder wie bekende publieke intellectuelen als Bernard-Henri Lévy, Pascal Bruckner. Deze elitaire en intellectuele kritiek op ‘de’ islam is in Frankrijk wijd verbreid en gaat terug op de scheiding tussen kerk en staat in 1905, als reactie op het conflict over de inrichting van het onderwijs tussen de katholieke kerk en de Franse staat. Sindsdien worden expressies van religieuze identiteiten in het openbare leven al gauw als een bedreiging voor de Franse universele waarden geïnterpreteerd.

Naast die laïcité is er de traumatische ervaring van het verlies van Algerije, dat tussen 1848 en de onafhankelijkheid in 1962 een officieel departement van Frankrijk vormde. In 1954 brak een (van beide kanten) wrede oorlog uit tussen de Algerijnse onafhankelijkheidsbeweging en het Franse leger. De Fransen dolven het onderspit; een miljoen kolonisten (pieds noir) zagen zich gedwongen Algerije te verlaten. Net als de honderdduizenden soldaten, onder wie Jean-Marie le Pen. Het onder Franse kolonisten diepgewortelde anti-Arabische en anti-moslim sentiment werd naar Frankrijk geëxporteerd. Veel van de ex-kolonisten kregen functies in het Franse overheidsapparaat, vooral in diensten die verantwoordelijk waren voor het huisvestingsbeleid van honderdduizenden Algerijnse arbeidsmigranten en hun gezinnen. De koloniale ‘expertise’ van de pieds noir zou goed van pas komen, aangezien zij de mentaliteit van de ‘Arabieren’ kenden. Het gevolg was de bouw van troosteloze voorsteden waar de nieuwkomers gevestigd werden. Deze HLM’s (Habitation à Loyer Modéré) vormden de kern van de banlieues, zoals Saint-Denis, waar de Franse staat zich grotendeels uit heeft teruggetrokken.

Dat ondanks segregatie en marginalisatie slechts relatief weinig Franse moslims radicaliseren wordt paradoxaal genoeg verklaard door de aantrekkingskracht van de Republikeinse waarden die volgens velen zo onder druk staan. Waarden die veel moslims uit voormalige Franse koloniën inmiddels grotendeels hebben omarmd.