Een echte Surinamer is van na 1975

Foto's Olivier Middendorp / NRC

25 november 1975, natúúrlijk kan meneer Tolud zich die dag herinneren. Zijn ogen glimmen. Hij stond te juichen tussen de flats in de Bijlmermeer, waar datzelfde jaar het Kwakoe-festival ontstond. „Iedereen voelde het, ook al waren we hier: we konden op eigen benen staan.”

Vandaag vieren Surinamers veertig jaar onafhankelijkheid. Zo ook in woonzorgcentrum De Venser in Amsterdam-Zuidoost. Een dag eerder zijn daar vijftien oudere Surinaamse Nederlanders bijeengekomen voor een kringgesprek. Hoe kijken zij terug op hun keuze naar Nederland te komen?

Voor sommigen ligt het gevoelig. Mevrouw Van Eyck schiet vol als ze vertelt dat ze om gezondheidsredenen in Nederland woont. Ze mist haar broer, die in Suriname woont. Een andere broer is overleden – ze kon niet bij de begrafenis zijn.

Over Suriname praten doet haar goed. Dat doen ze elke maand in De Venser, met koffie of hapjes. De ouderen noemen geestelijk verzorger Ellen Loomans bij haar voornaam, andersom zegt zij meneer of mevrouw. Maar ze wil niet dat ze door elkaar zitten te babbelen.

Slechts een enkeling in De Venser hoorde bij de 38.000 Surinamers die in 1975 naar Nederland kwamen. De meesten vertrokken nog voor de onafhankelijkheid, of pas jaren daarna. De een wilde hier studeren, anderen trouwden met een Nederlander of vluchtten na de staatsgreep van 1980.

Ze wonen hier goed, maar hun verbondenheid met Suriname is bijna niet uit te drukken. Daar waar hun navelstreng is begraven, dat is hun vaderland, citeren ze in koor een gezegde in het Sranan. „Ik ben als Nederlander geboren”, zegt meneer Felter. „De echte Surinamers zijn na 1975 geboren. Zij hebben het paspoort.” De anderen applaudisseren.

Waar staat de onafhankelijkheid anno 2015 voor? „Het is een moment waarop we ons bezinnen op wat er in het verleden is gebeurd”, zegt mevrouw Van Eyck. Als vanzelf komt de rol van Nederland als kolonisator ter sprake, en het verleden van president Desi Bouterse. Dat zijn onderwerpen die de tafel hevig verdelen. „Altijd als het over Bouterse gaat, wilt u bijna exploderen, en ik begrijp niet waarom”, zegt meneer Ligeon tegen een tafelgenoot. „Ik ben in 2012 drie maanden terug geweest. Ik zag nieuwe huizen, geen dode honden meer op straat, geen overstroming na tien minuten regen.”

Een andere man kan zich niet uiten over Bouterse. „Wat ik wil zeggen, ligt nog op mijn tong. Ik kan het niet uitspreken.” Hij wacht even. „De mensen van Bouterse hebben een pistool voor mijn broertje gehouden. Hij was agent.” Geestelijk verzorger Loomans: „Dit is moeilijk. Iedereen denkt er heel anders over. Dat mag ook.”

Sfeer in Nederland

Bouterse is een van de redenen dat de relatie tussen Suriname en Nederland afstandelijk is, zegt Marten Schalkwijk per telefoon vanuit Paramaribo. Hij is hoogleraar sociale verandering en ontwikkeling aan de Anton de Kom Universiteit. „Staatkundig verdienen beide niet de schoonheidsprijs. Nederland heeft de ontwikkelingshulp een paar keer opgeschort, Suriname had zijn coups en pogingen daartoe.”

Maar de sociale band is dezelfde als veertig jaar geleden, zegt Schalkwijk. Nog elk jaar emigreren of remigreren 3.700 Surinamers naar of vanuit Nederland. „De meeste vluchten vertrekken nog altijd naar Amsterdam, en Surinamers willen voor hun studie en vakantie over de grens vooral naar Nederland.”

Schalkwijk zegt dat de gaten van de exodus nooit zijn opgevuld. „Uit elke klasse zijn mensen vertrokken. Het wegvallen van opgeleide mensen merk je pas op lange termijn. Als bijvoorbeeld functies worden overgenomen door mensen met minder scholing en ervaring.”

Waar eerder vooral ouderen terugkeerden naar Suriname, komen nu steeds meer jongeren vanuit Nederland naar het land van hun ouders. Dat heeft te maken met economische groei, maar ook met de Nederlandse samenleving, zegt Schalkwijk. „De sfeer in Nederland is veranderd ten opzichte van minderheden. Surinamers horen ook Wilders roepen dat moslims het land uit moeten en vragen zich af hoe welkom ze nog zijn.”

Ook de ouderen in De Venser hebben negativiteit gevoeld, toen ze net in Nederland kwamen. „We zouden messentrekkers zijn”, zegt meneer Ligeon. „Maar later bleek dat we goed zijn geïntegreerd.” Gelach als allen zich herinneren dat ze in Suriname op school hebben geleerd waar de Rijn stroomt, en waar Groningen ligt. „Ik had hier ruzie in de klas toen ik zei dat prins Claus een Duitser was”, zegt een man.

Voelt een vertrek rond de onafhankelijkheid ook veertig jaar later als de beste keus? De meesten zeggen van wel. Want Suriname was te turbulent toen. Voor sommigen werd Nederland hun nieuwe thuis. Maar meneer Ligeon tikt op zijn rolstoel. Het is dat hij medisch is gebonden aan Nederland. „Want naar het Suriname van nu zou ik morgen zo terug willen.”