Column

Claude Lanzmann

Wie Claude Lanzmann noemt, noemt Shoah, dé film over de Holocaust – daar kunnen geen speelfilms over dit onderwerp tegenop. Het is alweer dertig jaar geleden dat ik die 9,5 uur durende documentaire zag, maar de sfeer en flarden van interviews ben ik nooit vergeten.

Op het documentairefestival IDFA zag ik Claude Lanzmann: Spectres of the Shoah, een korte documentaire van Adam Benzine over Lanzmann. De film bevat geen grote onthullingen, en toch is het de moeite waard Lanzmann te horen vertellen over de moeilijke omstandigheden waaronder hij moest werken.

Hij heeft een dik boek met memoires geschreven, De Patagonische haas, maar je moet er Lanzmann eigenlijk ook bij horen en zien; dan begrijp je de verbeten onverzettelijkheid waarmee hij zijn werk heeft gedaan. Zonder dat was het onmogelijk geweest twaalf jaar lang ooggetuigen op te sporen en – dat vooral – de belangrijkste onder hen over te halen hun verhaal te vertellen.

Het is begrijpelijk dat hij perioden heeft gekend waarin het werk uitzichtloos leek. Hij vertelt Benzine dat hij, na vijf jaar filmen, in de zee bij Israël dicht bij zelfmoord was. Het was een mooie, warme dag toen hij zich ver, te ver, in zee waagde. Opeens merkte hij dat hij niet meer terug kon, de stroming was te sterk. Hij leek verloren, totdat hij naast zich een stem hoorde die hem in het Engels vroeg hoe hij heette. Die man redde hem.

Het klinkt als een religieus geïnspireerde mythe, maar Lanzmann lijkt me daar niet zo gevoelig voor, hij moet zich werkelijk op de rand van de dood hebben gevoeld.

Zijn Shoah lijkt ook voort te komen uit een obsessie met de dood. Tegen Der Spiegel heeft hij eens gezegd dat Shoah niet over de overlevers gaat, maar over de dood. „Ik wilde zo dicht mogelijk bij de dood komen. Er worden geen persoonlijke anekdotes in Shoah verteld, het gaat alleen over de dood.”

De film was niet eens zijn eigen idee geweest. Hij had een film over Israël gemaakt, Pourquoi Israël, toen zijn vriend Alouf Hareven – tevens hoge ambtenaar op het ministerie van Buitenlandse Zaken van Israël – hem vroeg een film over de Holocaust te maken: „Niet een film over de Shoah, maar een film die de Shoah is.” De film moest vanuit het perspectief van de Joden gemaakt worden. „Wij denken dat jij de enige bent die dat kunt.”

Een onuitwisbaar verhaal in Shoah is de getuigenis van Abraham Bomba, een van de zestien kappers in Treblinka, die de vrouwen van hun hoofdhaar moest ontdoen voor ze de gaskamer instapten. Lanzmann had in New York eindeloos in kapperszaken naar Bomba gezocht totdat een oude dame vanonder haar droogkap riep: „Ik weet waar hij is!”

Lanzmann filmde hem later in een kapperszaak in Tel Aviv, waar hij acteerde als kapper – wat hij toen niet meer was – terwijl hij zijn verhaal deed. Door herbeleving via zijn kappersroutine wilde Lanzmann Bomba’s geheugen activeren. Het resultaat is zeldzaam aangrijpend. Bomba vertelt lange tijd zo zakelijk mogelijk, totdat hij moet praten over een vriend die zijn eigen vrouw en zus moest knippen. Bomba verkrampt. „Ik kan het niet”, zucht en slikt hij. Lanzmann houdt aan: „Je móét het doen, vergeef me.” En Bomba doet het. (Dit deel is via YouTube te zien, evenals vele andere delen van Shoah.)

Lanzmann moest als filmregisseur zijn grootste beproeving in, of all places, Duitsland ondergaan. Daarover morgen meer.