Wilhelmus Bever

Schrijfster Pia de Jong is met haar gezin verhuisd van Amsterdam naar Princeton, in de VS. Ze schrijft wekelijks over wat haar daar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

‘Vilhelmuss fun Nah-sowa, Benn ick fun doutsen bloot.” Mijn tafelheer moet op zijn spiekbriefje kijken, als het orkest in de New Yorkse balzaal de muziek van het Wilhelmus inzet. Het is al een tijdje geleden dat hij of zijn familieleden Nederlands spraken. Dat was waarschijnlijk in de zeventiende eeuw, toen een verre voorvader zich hier in de Hollandse kolonie Nieuw Amsterdam vestigde.

Vanavond ben ik te gast bij de Holland Society of New York. Aan mijn tafel zitten de nazaten van de eerste kolonisten. Om lid te mogen worden van dit eerbiedwaardig gezelschap moet je kunnen aantonen dat een familielid hier al was vóór 1675, het jaar dat de Engelsen de kolonie overnamen. Alleen voorvaders tellen, want lidmaatschap gaat uitsluitend via de mannelijke lijn.

Op deze Dutch-American Heritage Day wordt de 239ste verjaardag gevierd van de eerste erkenning van de onafhankelijke Verenigde Staten door een andere natie. Op 16 november 1776 eerde de gouverneur van Sint Eustatius de prille Amerikaanse vlag met een saluut van kanonschoten. Het voelt in de New Yorkse balzaal allemaal alsof het gisteren was en de aanwezigen het zich nog scherp herinneren. De vereniging houdt het allemaal in archieven en studies nauwkeurig bij. Voor me hangen de Nederlandse en Amerikaanse vlaggen gebroederlijk naast elkaar. De namen van mijn disgenoten: Vanderbilt, Vansickle, Hendricks, Wyckoff. Er wordt getoost op de koning van Nederland en de president van de Verenigde Staten.

Voor de goede kijker zijn in dit deel van Amerika overal nog Nederlandse vingerafdrukken te vinden. Elke dag rijd ik door de Vandeventerstraat, ook al weet niemand hem te vinden als je hem uitspreekt zoals het hoort. „Fendefènterstriet” heet hij hier. We eten cookies (een Nederlands leenwoord), staan in de file voor de Hollandtunnel, spelen op Coney (konijnen) Island en studeren op de Rutgers-universiteit.

Na het gebed is het tijd voor de volksliederen van de twee bevriende naties. Als na het zingen van The Star-Spangled Banner het Wilhelmus wordt ingezet, krijgen we de handige fonetische weergave in de hand gedrukt. Ik wissel een blik uit met een Amsterdamse vriend van mijn zoons die hier zijn tussenjaar doorbrengt. Ik zie een twinkeling in zijn oog.

„An prin-sa fun, o-rahn-ya”, worstelt mijn disgenoot zich door de tekst heen. Voor de gelegenheid heeft hij een oranje strikje omgeknoopt. Dan klinkt er tromgeroffel en kijkt iedereen vol spanning naar de deur. Twee jongens komen binnenlopen met een draagbaar met daarop een… opgezette bever.

Aan de bever, of beter gezegd zijn pels, hadden de voorvaderen hun rijkdom te danken. Het werd ook wel het zachte goud genoemd. Dat verdient vanavond een eerbetoon.

Een andere tafelgenoot legt uit dat onder de lange glanzende haren van het dier een dichte onderlaag zit. Daarvan werd vilt gemaakt dat gebruikt werd voor hoeden, kragen en jassen. Het was warm en de kwaliteit was hoog. Er ontstond een bloeiende handel. Het dier was zo gewild, dat het al gauw met uitsterven werd bedreigd.

De sfeer is plechtig wanneer ze met de verrassend grote bever, die van ellende bijna uit elkaar valt, langs onze tafel paraderen. De zonen van de kolonisten kijken plechtig. Ze voelen het gewicht van een lange traditie op hun schouders rusten. Het zit hier wel goed met onze koloniale geschiedenis.

Dan is het tijd om te dansen. De bigband zet een nieuw lied in. De zanger tuurt op zijn briefje. „Tool-puhn out Ahm-ster-dahm.”