Wijk is niet schuldig, jihadisme overstijgt grenzen van banlieues

Pas op met categorisch beweren dat de banlieue de ‘geografie van het kwaad’ vertegenwoordigt, waarschuwt Luuk Slooter.

Na de aanslagen in Parijs proberen we onze angst te temmen door het gevaar te duiden en te lokaliseren. We zijn op zoek naar gezichten en profielen van daders en proberen te achterhalen waar ze zich schuilhouden. Het is een exercitie om ons gerust te stellen – maar in de duiding van geweld is voorzichtigheid geboden. De lokalisering van jihadisme in de Franse voorsteden of andere Europese achterstandswijken is te onnauwkeurig. Het herbergt het risico tot verdere stigmatisering van deze wijken. We moeten onszelf uitdagen door complexere vragen te stellen.

De Amerikaanse politicoloog David Apter beschreef het al eens: geweld voedt scheidslijnen en zet die om in fundamenten. Juist in de nasleep van extreme geweldsuitbarstingen ontstaan verdelingen tussen ‘goed’ en ‘kwaad’, ‘wij’ en ‘zij’, ‘hier’ en ‘daar’. Juist na geweld ontstaat groepsvorming en polarisatie. Het is van belang om te beseffen dat we nu midden in dat proces zitten.

Jihadisme is niet afwezig in de banlieue, maar is er net zo min exclusief aan verbonden. Ik doe sinds 2007 onderzoek naar de Franse voorsteden en woonde maandenlang in een beruchte wijk ten noorden van Parijs. Een bezoek aan de voorsteden zal bewijs opleveren voor radicalisering: er zijn jongeren die boos zijn op Hollande en gefrustreerd over de Franse en westerse interventies in het Midden-Oosten. Er zullen jongeren rondlopen met radicale ideeën. Maar er is ook bewijs te vinden voor het tegendeel: jongeren die met afschuw hebben gekeken naar de beelden van de aanslagen. Jongeren die na de aanslagen angstiger zijn geworden. Jongeren die niet geloven of gewoon moslim zijn, zonder extreem gedachtegoed. De vraag is welke van de verschillende stemmen die uit deze wijken komen we het luidst laten weerklinken.

Wat opvalt aan de profielen van de daders is dat ze deels uit de Franse voorsteden komen, maar deels ook niet. Het beeld is niet eenduidig. Net als bij de aanslagen op Charlie Hebdo: twee daders radicaliseerden in het 19e arrondissement, in het hart van Parijs; een ander kwam uit een arme banlieue. Toch verschoof de aandacht toen ook naar de voorsteden. Wat opvalt is juist de mobiliteit van de daders, niet de gebondenheid aan één locatie. Radicale jongeren lijken zich juist terug te trekken uit de wijk. Jihadisme overstijgt de grenzen van de banlieue. Het wordt georganiseerd in internationale (online) netwerken en speelt zich af op grotere podia.

Dat er problemen zijn in sommige banlieues en in andere Europese achterstandswijken staat buiten kijf. Er heerst werkloosheid, armoede, criminaliteit. Er is een getroebleerde relatie tussen de binnenwereld van sommige wijken en de wereld daarbuiten. Een verstoorde relatie tussen de politie en sommige jongeren. Maar een directe en eenduidige relatie tussen arme voorsteden en radicalisering is niet vast te stellen. Daarvoor is het bewijs dat die claim tegenspreekt te groot: hoe kan het dat veel meer jongeren die in de voorsteden opgroeien onder dezelfde omstandigheden niet radicaliseren? Hoe kan het dat niet alleen lageropgeleiden in de marge van de samenleving, maar ook hoger opgeleiden radicaliseren?

De vraag is dan of de lokalisering van jihadisme in de banlieue of Molenbeek recht doet aan de situatie, of dat die categorisering juist te grove scheidslijnen aanbrengt. Het categoriseert namelijk ook velen die in die wijken wonen en een normaal leven proberen op te bouwen. Het categoriseert velen die niets met IS te maken hebben en zich inzetten voor verbetering van leefbaarheid. Oorlogstaal of ‘Molenbeek opkuisen’, zoals voorgesteld door een Belgische minister, zal het probleem niet oplossen. Juist nu moeten we deze wijken omarmen, en niet wegzetten als ‘broedplaatsen van terrorisme’. Investeren in g onderwijs en werkgelegenheid is van belang, maar belangrijker is het normaliseren van een verstoorde relatie tussen ‘hier’ en ‘daar’ en tussen ‘wij’ en ‘zij’. Dat vraagt om inspanningen van twee kanten. Het etiket ‘broedplaats’ of ‘geografie van het kwaad’ (NRC Next) is te simpel en zal eerder de breuklijnen versterken dan dat het onze angsten temt. Het heeft bovendien grote impact op de vaak al precaire omstandigheden in deze wijken. Het zijn individuen en organisaties die overgaan tot geweld, niet complete wijken.