Wie bepaalt eigenlijk of je een lintje krijgt?

In het statige gebouw van de Kanselarij der Nederlandse Orden in Den Haag wordt in het diepste geheim besproken wie een koninklijke onderscheiding krijgt. Wegens het tweehonderdjarig bestaan ging de deur voor één keer op een kier.

De deur van de Kapittelzaal is dicht. Hier, in het statige gebouw van de Kanselarij der Nederlandse Orden in Den Haag, is het Kapittel voor de Civiele Orden bijeen. In het diepste geheim bespreken deze vier mannen en twee vrouwen wie er komend jaar wel en geen koninklijke onderscheiding krijgt. Nog nooit is er een buitenstaander bij geweest. Omdat het Nederlandse Decoratiestelsel gisteren zijn tweehonderdjarig bestaan vierde, ging de deur voor één keer op een kier.

Langs de wanden staan vitrines vol blinkende onderscheidingen. Hoog aan de muur hangt een schilderij van de zee. Midden aan de lange ovalen tafel, onder het staatsieportret op de schouw, zit Kapittelvoorzitter Jaap de Hoop Scheffer, oud-secretaris-generaal van de NAVO. Links van hem de ‘kanselier’, die namens de koning de „zuiverheid” van het decoratiestelsel bewaakt. Sinds 1 januari is dit de rijzige oud-militair Henk Morsink, die nog in Uruzgan heeft gediend, en de laatste jaren adjudant-generaal van de koning was. „Ik zie erop toe dat niet ten onrechte een onderscheiding wordt verstrekt”, zei hij eerder in zijn werkkamer, een verdieping hoger. Aan de overkant van de tafel de vier andere leden van het Kapittel: een oud-staatssecretaris, een oud-raadsheer van de Hoge Raad, een oud-burgemeester en secretaris Martine van Grieken, tevens de directeur van de Kanselarij.

Al twee eeuwen lang is dit oer-Hollandse traditie en folklore. Welke stormen er ook woeden over het land, de koning beloont zijn onderdanen. Het was koning Willem I die in 1815 de Militaire Willems-Orde instelde, voor uitzonderlijke dapperheid op het slagveld, en de Orde van de Nederlandse Leeuw voor opmerkelijke burgerlijke verdiensten. In 1822 kwam hier de Erepenning voor Menslievend Hulpbetoon bij, minder bekend, maar vorig jaar bijvoorbeeld nog uitgereikt aan een man uit Reuver, die met gevaar voor eigen leven een buurvrouw redde die werd beschoten door haar ex. De derde Nederlandse ridderorde, die van Oranje-Nassau, werd in 1892 ingesteld om ook mensen uit lagere klassen een koninklijk schouderklopje te kunnen geven. Sinds 1994 doet klasseverschil er niet meer toe, en is de Leeuw vooral bestemd voor uitzonderlijke prestaties in wetenschap en kunst, en krijgen mensen niet meer automatisch na veertig dienstjaren een lintje, ze moeten het verdienen. Tachtig procent gaat nu naar mensen die vrijwilligerswerk doen.

De medailles blijven van de staat

Per jaar gaan er bij de Kanselarij zo’n 5.500 onderscheidingen de deur uit, waarvan 3.000 rond Koningsdag. Inclusief ‘graden’ en varianten voor mannen en vrouwen, militairen en burgers zijn er vele tientallen verschillende eremedailles, met elk ook weer een eigen lint en ‘draagteken’. Beneden in de kluis, het heilige der heiligen, hebben ze elk een eigen lade. De onderscheidingen blijven eigendom van de staat, ze moeten na overlijden worden teruggestuurd. Er is dus ook een la met ‘teruggekomen medailles’, en een met ‘teruggekomen maar onbruikbare’ medailles, die zullen worden omgesmolten. Martine van Grieken laat er een zien. Niet alleen is het edelmetaal lelijk verkleurd („die heeft ergens in gelegen”), ook de ‘parels’ op de punten zijn uit de tijd – degene die nu worden gebruikt zijn groter.

Een stenen trap met hemelsblauwe loper – die waarop Willem-Alexander en Máxima in 2013 naar de kroning schreden – voert naar de Kapittelzaal. Het Kapittel voor de Civiele Orden is sinds 1994 het orgaan dat de voordrachten uit het hele land nog eens toetst, nadat eerder al een burgemeester en commissaris van de koning zich erover hebben gebogen. Zo’n tachtig voordrachten gaan in de tweewekelijkse vergaderingen over tafel. Uiteindelijk kennen ministers de onderscheidingen toe, maar die volgen het advies van het Kapittel.

Natuurlijk mag hier niet vermeld worden welke hoogleraren, kunstenaars, ondernemers, mantelzorgers, sporters, kerkorganisten en/of vrijwilligers in dit beraad voorbijkomen. Toegestaan is wel een impressie van de overwegingen. Dat over iemand wordt gezegd: „Ik heb aarzelingen of zij echt met kop en schouders er bovenuit steekt” en dat diegene na enig heen en weer praten „niet decorabel” wordt bevonden. Dat iemand die al meer dan veertig jaar heel veel vrijwilligerswerk doet, naast een vaste baan, op unanieme instemming kan rekenen, terwijl er twijfel is bij een kandidaat die in een semipublieke sector een royaal salaris opstrijkt. Al heeft het Kapittel zelf geen oordeel over beloningen, die kunnen, weet men, „in het huidige Nederland tot besprokenheid leiden”.

‘Besprokenheid’ is uit den boze, een „decorandus” moet van onbesproken gedrag zijn. De burgemeester moet in het politieregister hebben nagegaan of er geen strafzaken tegen iemand lopen. Aan de andere kant: lelieblank hoeft het blazoen ook weer niet te zijn. Volgens Henk Morsink komt het nog weleens voor dat voorgedragenen een strafblad hebben, of overtredingen hebben begaan. Als dat een tijdje geleden is (er zijn vaste termijnen), hoeft dat een koninklijke onderscheiding niet in de weg te staan – niets menselijks is ook ridders vreemd – behalve bij gewelds- en zedendelicten.

Wie is dapper op het slagveld?

Henk Morsink is ook voorzitter van het Kapittel der Militaire Willems-Orde, dat drie of vier keer per jaar bijeenkomt. Bij deze onderscheiding, voor het laatst toegekend aan Marco Kroon en Gijs Tuinman, gaat het nog altijd puur om dapperheid op het slagveld. Er zijn nog twee ‘ridders MWO’ in leven die hun onderscheiding in de Tweede Wereldoorlog verdienden, een 98-jarige Brit en een 96-jarige Amerikaan. De Brit is fit en vierde gisteren in Nederland het jubileumfeest mee; de Amerikaan verkeert in slechte gezondheid. Morsink heeft hem net thuis bezocht en een ‘jubileumpenning’ overhandigd. Hij vertelt dat de man veel pijn heeft van zijn oorlogsverwondingen.

Twijfel is er in de Kapittelzaal over iemand die in opspraak is geweest, maar door onderzoek is vrijgepleit. Wel kan de voordracht bogen op veel ‘ondersteuningsbrieven’. Omdat de burgemeester heeft bevestigd dat er echt voldoende „maatschappelijk draagvlak” is, stemt het Kapittel met de voordracht in. Veel meer enthousiasme is er voor de volgende kandidaat. „Soms heb je dossiers, daar word je stil van.” „Een typisch voorbeeld van wetenschappelijke brille.”

Het heeft iets blijmoedigs en aandoenlijks, deze volhardende aandacht voor goede daden in het koninkrijk. Maar is het toch ook niet een beetje achterhaald? „Dat zeiden mensen in mijn omgeving ook weleens toen ik hier begon”, bekent Martine van Grieken. „Maar als je de voordrachten ziet denk je nou, dit zijn toch wel de mensen waar de maatschappij op drijft.” „Ik vind het mooi dat we mensen die meer doen dan anderen, zichtbaar kunnen waarderen, er bovenuit kunnen tillen”, zegt kanselier Henk Morsink. „Tegelijk: als je er een beloont, houdt dat niet in dat een ander géén goede dingen heeft gedaan.”