Column

Sport een aantrekkelijk doelwit voor terrorist

Nu de bombardementen op steden als Raqqa doorgaan, het lidmaatschap van de ‘Islamitische Staat’ van het IOC en de FIFA er niet inzit en de angst voor aanslagen delen van Europa beheerst, is de vraag: hoe moet de sport omgaan met terroristische dreigingen?

De moeder van alle terreur bij sportmanifestaties is de gijzeling ten tijde van de Olympische Spelen van 1972 in München. De Zwarte September, een Palestijnse beweging, gijzelde elf Israëlische atleten en officials. Het drama liep uit op een bloedbad dat twaalf mensen het leven kostte. De voorzitter van het IOC, Avery Brundage, sprak toen de woorden uit die tot de meest geciteerde uit de geschiedenis behoren: „The Games must go on!”

De sport heeft vaker met terroristische daden te maken gehad. De bomaanslag twee jaar geleden bij de marathon van Boston. De aanval door twaalf gemaskerde mannen op de spelersbus van het nationale cricketteam van Sri Lanka in Pakistan in 2009. De zelfmoordbom, ook in Pakistan, ook aan de vooravond van een cricketwedstrijd, die in 2002 ontplofte bij een hotel waar het team van Nieuw Zeeland verbleef. De autobom die in hetzelfde jaar explodeerde bij het voetbalstadion van Real Madrid, kort voor een wedstrijd tegen FC Barcelona. Enzovoorts. Overal doden en gewonden. Hier is een serie verijdelde acties aan toe te voegen, die soms pas later bekend werden. Zoals de geplande aanslag op het elftal van Frankrijk tijdens het EK voetbal in 2000, dat in Nederland en België werd gespeeld.

Veiligheid is een groeiende kostenpost bij sportevenementen. Bij de Olympische Spelen in Londen, 2012, werd er bijna een miljard euro voor uitgetrokken. Het leger werd ingezet. Rio de Janeiro, waar de Spelen volgend jaar worden gehouden, reserveert er zo’n 650 miljoen voor. Toen in Nederland nog de hoop bestond dat Amsterdam (of Rotterdam) zich volgend jaar voor de Spelen van 2028 zou kandideren, becijferden twee onderzoeksbureaus in 2011 de veiligheidskosten op ruwweg 775 miljoen. Het moment komt een keer dat een regering of een stadsbestuur zal zeggen: dit wordt ons te gek.

Preventieve maatregelen helpen wel. Het is geen toeval dat de recente aanslagen in Parijs bij het Stade de France, waar de grootste massa op de been was, goeddeels mislukten. Met, hoe ironisch, dank aan de hooligans, want ten gevolge van hun wangedrag zijn de veiligheidsmaatregelen bij veel voetbalwedstrijden al langer op scherp gezet.

In het Europa van nu staan de zenuwen, begrijpelijk, strak gespannen. Bij de autoriteiten niet het minst. Drie journalisten van Voetbal International ondervonden het aan den lijve. Ze zijn bezig aan een serie reportages over de historierijke voetbalstadions van Engeland. Afgelopen vrijdag werden ze in de buurt van Bradford klemgereden door de politie. Want drie mannen in steeds dezelfde auto die in korte tijd al 61 stadions hadden bezocht – hoogst verdacht.

Zenuwen, zenuwen. Of de wedstrijd in Hannover tussen Duitsland en Nederland vorige week terecht werd verboden? Geheime bronnen van al even geheime diensten gaven de Duitse media informatie die varieerde van ‘aan een grote aanslag ontsnapt’ tot ‘er was eigenlijk niets aan de hand’. In België werden maar een paar wedstrijden afgelast als gevolg van de terreurdreiging; de voetbalbond vond dat het leven verder maar geleefd moest worden zoals het elk weekeinde wordt geleefd. Dat gold ook voor de Nederlandse competitie, op één minuut stilte na. En de Franse minister van Sport zegt nu al zeker te weten dat het EK in zijn land volgend jaar ‘gewoon’ doorgaat.

Maar een feit is dat grote sportmanifestaties een aantrekkelijk doelwit zijn voor terroristen. Makkelijk scoren, mondiale publiciteit verzekerd. ‘The Games must go on’ – het klinkt dapper. Maar altijd? Natuurlijk niet.