Kniertje staat fier rechtop, tot al haar zoons verdronken zijn

In Op hoop van zegen speelt Geert de Jong vissersvrouw Kniertje, symbool voor het ellendige vissersbestaan. „Wie haalt de vis uit zee?”

Actrice Geert de Jong speelt Kniertje (met puntmuts) inOp hoop van zegen

Nog even staat Knier fier recht. Wachtend op het onvermijdelijke. Twaalf jaar geleden verloor ze haar man en twee zoons aan de zee en nu gaat het rond dat ook De Hoop van Zegen, met aan boord haar twee andere zoons, is vergaan. Als de ramp is bevestigd, valt ze uiteen, als een ledenpop.

Bijna drie uur lang, in de opbouw naar de finale, speelt Geert de Jong Knier als een brok graniet, een monument van gelatenheid waar de grillen van het lot tevergeefs op beuken. Maar dit is haar te veel. Ze breekt en verschrompelt.

Het is de aangrijpende apotheose van het enerverende vissersdrama Op hoop van zegen van Herman Heijermans uit 1900, gespeeld door Toneelgroep De Appel. In haar weergaloze vertolking van Knier heeft De Jong haar pijn geheel verinnerlijkt. Alle acteurs kijken soms de zaal in, behalve De Jong. Met een doodse blik in haar onbeweeglijke gezicht legt ze een bodem van verdriet onder de voorstelling.

Regisseur Arie de Mol koos voor een naturalistische speelstijl, met zowel rake als aanstellerige momenten van abstrahering. Het mooie, archaïsche Nederlands van Heijermans laat hij bloeien in een gestileerd decor, dat de klassenstrijd symboliseert. Het vissershuisje van Knier is klein en krap, het rederskantoor hoog en ruim.

In de eerste helft van het stuk verwoordt Kniertjes opstandige zoon Geert, die terugkeert uit de gevangenis, de woede over de onrechtvaardigheid van het vissersbestaan. Als de reder zegt dat híj met zijn schepen het risico loopt, roept Geert: „En wie haalt de vis uit zee?”

De een waagt zijn leven, de ander niet eens zijn geld, want de reder is verzekerd. Zijn keuze De Hoop, ‘die drijvende doodskist’, de zee op te sturen is een beredeneerde gok – waarbij zestien kinderen vaderloos raken.

Met misprijzende mondhoeken hoort Knier de socialistische praat van Geert (een krachtige rol van Martijn van der Veen) aan. Op zijn beurt hoont Geert haar „onderworpen gezicht”. In dat generatieconflict legde socialist Heijermans zijn vertrouwen in een betere toekomst.

Kniertje aanvaardt dat ze zit opgesloten in een kapitalistisch systeem dat haar slechts ontberingen brengt. Tegen haar jongste zoon, de bange Barend, die aanvankelijk niet naar zee wil, vaart Knier uit: „Mijn huis uitgerukt! Doodvreter!” De armoede dwingt haar opnieuw zoons de moordlustige zee op te sturen.

Als de mannen weg zijn, zitten de vissersvrouwen bijeen en delen verhalen vol dood. Dan wordt de beroemdste Nederlandse toneelzin, „De vis wordt duur betaald”, driemaal uitgesproken. Door Knier als laatste. Maar niets van het schrijnen dat de zin maskeert dringt door het keuvelen van de vrouwen heen in deze zwakke episode. Wie zich op de zin verheugt, beleeft een ontgoochelend moment.

Nadat de reder ook nog botst met zijn dochter die zijn wreedheid doorziet, is het slot voor de sublieme Geert de Jong. Na het doodsbericht van de reder gaat ze nog eenmaal aan tafel. Met koude ogen eet ze haar vlees. Huiveringwekkend. Alleen al de geladenheid van dat slotbeeld maakt deze voorstelling een bezoek waard.