Het doet de dokter echt wel wat

In het ziekenhuis is het ongebruikelijk om te praten over overleden patiënten of fouten. Maar ook de arts heeft emoties. Het ziekenhuis in Groningen wil een taboe doorbreken.

Chirurg-oncoloog Liesbeth Jansen.

Liesbeth Jansen, chirurg-oncoloog, krijgt voor ze gaat slapen flashbacks. Een patiënt is onverwacht overleden na haar operatie. De vragen spoken door haar hoofd. Was dat knoopje wel goed gelegd? Wat zei de assistent tijdens de operatie? Heb ik een fout gemaakt?

Het Universitair Medisch Centrum (UMC) in Groningen laat collega’s met elkaar in gesprek gaan over de fouten die zij maken of moeilijke situaties die ze meemaken. Het wil een taboe doorbreken, want in ziekenhuizen wordt doorgaans niet gemakkelijk gesproken over wat het met de dokter doet als patiënten overlijden of operaties niet goed gaan.

Die cultuur maakt het voor veel doktoren moeilijk toe te geven dat ze emotioneel zijn, of persoonlijk worden geraakt in hun werk, vertelt Jan Jaap Erwich, gynaecoloog en voorzitter van de calamiteitencommissie patiëntenzorg in het ziekenhuis. Erwich: „Als een patiënt overlijdt – of er nu een fout is gemaakt of niet – hebben de betrokken artsen vaak een schuldgevoel. Wij horen dan dat ze minder op zichzelf vertrouwen, en soms gaan twijfelen bij operaties. Bij het supportteam hoef je geen stoer gedrag te laten zien; wij negeren niet dat ook de arts emotioneel kan zijn.”

Het peer support team dat het UMC Groningen sinds enkele jaren kent, bestaat uit 35 artsen en 40 verpleegkundigen. Het is het enige ziekenhuis dat er op deze schaal voor zorgt dat collega’s elkaar steunen. Als ergens in het ziekenhuis een incident is, moeten de betrokken artsen, verpleegkundigen en andere verzorgers dat zelf melden. Zij krijgen dan een telefoontje van het supportteam. Dat gebeurt jaarlijks zo’n 130 keer.

Het team doet zelf geen onderzoek naar calamiteiten; er worden geen aantekeningen gemaakt en het beroepsgeheim geldt. De artsen en verpleegkundigen stellen hun collega’s basale vragen: hoe gaat het met je, eet je goed, drink je goed, slaap je goed? Thera Links, internist en lid van het team: „Wij zijn er voor het welzijn van onze collega’s. Die hand op de schouder is niet gebruikelijk en wordt zeer gewaardeerd.”

Verborgen verdriet

Chirurg Liesbeth Jansen vertelt in haar kantoor, na een drukke nachtdienst, over drie calamiteiten in haar carrière. Twee keer moest Janssen voor het medisch tuchtcollege verschijnen, een andere keer was er een intern onderzoek nadat een patiënt was overleden. Geen enkele klacht werd gegrond verklaard. Wel merkte ze dat in het ziekenhuis weinig werd gepraat over de gevoelens van de arts bij dit soort moeilijke situaties. Vooral toen zij besloot wél openheid te geven. Een patiënt van Jansen overleed aan complicaties na een moeilijke operatie. Het is al enkele jaren geleden; Jansen mag niet te veel details geven over de operatie vanwege haar beroepsgeheim. Zij had geen schuld aan het overlijden, maar ze voelde zich wel schuldig. Jansen dacht er vaak aan terug – vooral bij vergelijkbare situaties in een nachtdienst. „Ik neigde naar het bedrijven van defensieve geneeskunde, omdat ik bang was om fouten te maken. Dat is niet goed, op die manier kun je niet goed werken. Je moet beslissingen durven nemen.”

Jansen besloot haar collega’s te vertellen over de tuchtzaak die tegen haar werd aangespannen – het peer support team bestond destijds nog niet. Ze gaf openheid in een zogenoemde ‘complicatiebespreking’ – die houden artsen regelmatig, om van elkaar te leren. Zestig collega’s in de zaal. Nadat ze de operatie had besproken, vertelde Jansen dat ze was aangeklaagd door de nabestaanden en dat ze voor het medisch tuchtcollege had moeten verschijnen.

Jansen: „Het werd doodstil in de zaal. Na deze bespreking merkte ik dat veel meer mensen in hun maag zaten met schuldgevoelens of schaamte na een complicatie – of ze daar nu iets aan konden doen of niet. Tot weken daarna kreeg ik mails en schouderklopjes, kwamen collega’s binnen om te praten over hun eigen nare ervaringen. Ze hadden daar nooit over verteld en durfden dat nu ineens. Ik zag toen dat er veel verborgen verdriet is in het ziekenhuis.”

Niet over praten

Vincent Stirler (32), chirurg in opleiding, huilt zelden. Maar toen hij eerder dit jaar via de telefoon aan een collega van het supportteam vertelde over een van zijn patiënten die was overleden, brak hij. Het gebeurde na een poliklinische behandeling met een zeldzame complicatie. Met de telefoon nog in zijn hand, zakte hij neer op de trap van zijn huis. Stirler: „Ik zat er helemaal doorheen. Maar het was ook fijn dat ik het had verteld; een grote opluchting.”

Het moment dat duidelijk werd dat zijn patiënt zou overlijden, herinnert Stirler zich goed. Het speelde zich begin dit jaar af – Stirler was pas een paar weken werkzaam in Groningen. „Je gaat je direct allerlei dingen afvragen: heb ik iets fout gedaan? Hoe zag de patiënt er precies uit? Had ik iets anders moeten doen? Ik voelde me schuldig, ook al had ik geen fouten gemaakt. Veel artsen praten niet over zulke emoties – zelf had ik ook pas in de gaten hoe diep het zat toen ik met het supportteam sprak. Dat is toch anders dan er thuis over praten. Mijn ouders zijn bijvoorbeeld niet medisch onderlegd – dan is het toch moeilijk uit te leggen hoe het er op de operatiekamer aan toe gaat.”

Waarom is het zo moeilijk in het ziekenhuis te praten over incidenten? Liesbeth Jansen denkt dat het gewenning is: „Sinds je co-schappen zie je vreselijke dingen. Maar je gaat ermee om, je moet wel. Iedereen heeft ermee te maken. Je zeurt niet, en zeker niet bij een meerdere. In mijn geval geldt: ik ben chirurg. Ik ben gewend om aan te pakken, hup, en weer door.”

Stirler: „Ik was er goed kapot van dat mijn patiënt overleed. Maar daar voelde ik me ook een beetje schuldig over, want ik dacht: je moet niet zeuren, voor de familie van de patiënt is het pas écht erg. In het ziekenhuis ligt de nadruk toch op doorgaan.”

Jansen: „In het ziekenhuis praat je over de technische kant van een complicatie. Maar vraagt er ook iemand aan je: hoe gaat het met je? We wennen allemaal aan heftige situaties. Daardoor is het soms moeilijk om te zien wanneer een collega het zwaar heeft. Zij moeten niet denken dat daarover praten taboe is.”