Zo veelbelovend en dan toch saai

Garth Risk Hallberg kreeg twee miljoen dollar als voorschot voor zijn romandebuut. Dat beloofde wat. Het valt tegen.

Plunderaars en gewone New Yorkers rennen over Broadway tijdens de stroomstoring van 14 juli 1977 Foto Tyrone Dukes/The New York Times

Don’t believe the hype. Ja, het is niet eerlijk een debutant de oorverdovende hoempa rond zijn eersteling aan te rekenen, maar het valt het orkest – de uitgevers – wel degelijk kwalijk te nemen. Aan recensenten de ondankbare taak lezers te waarschuwen dat er weer eens surimi als krab wordt verkocht. In dit geval: Stad in brand, een stoeptegel van Garth Risk Hallberg (36) waar uitgever Knopf maar liefst twee miljoen dollar voorschot voor neertelde. Wat direct verklaart waarom men al maanden als een doorgesnoven toetsenist het marketingorgel aan het bespelen is. Wat is het probleem? Het probleem is een schrijver die tegelijk te hard en niet hard genoeg zijn best heeft gedaan. En die ook niet het geluk had van een redacteur met ballen, of op zijn minst een schaar.

We zijn in het bijna failliete New York van de jaren zeventig. Afbraakpanden, drugsoverlast, roofmoorden in Central Park. We maken kennis met een welig tierende cast van personages. In het hart van het verhaal staat de puissant rijke Hamilton-Sweeney-familie en dan vooral zoon William III, die zich van zijn voorvaderen heeft afgekeerd en in de stadswildernis is verdwenen. William – homo, junkie en kunstenaar – heeft kortstondig naam gemaakt met de protopunkband Ex Post Facto, waarvan hij onder de naam Billy Three-Sticks voorman was.

Twee zoekende tieners

Zijn zus Regan heeft zich, ondanks traumatische ervaringen, wél naar het familiebedrijf gevoegd, waar de aangetrouwde Amory Gould, de ‘Addergebroeder’, door intriges macht aan het vergaren is. William heeft een relatie met de uit het Diepe Zuiden overgekomen wannabe-auteur Mercer. Ex Post Facto is onder een andere naam voortgezet door ene Nicky Chaos, die uit een verzameling dolende punkers een Posthumanistische sekte aan het smeden is. Twee zoekende tieners van Long Island, Samantha ‘Sam’ Cicciaro en Charlie Weisbarger raken bij dat clubje betrokken, met dramatische gevolgen.

Sam wordt tijdens een kerstnacht neergeschoten in Central Park, waarna haar zaak een obsessie wordt voor journalist Richard Groskoph ‘een bandrecorder met ingebouwde camera’, en de kreupele inspecteur Pulaski. Wie schoot? Hoe is de verheven wereld van de Hamilton-Sweeney’s vervlochten met die van de anarchistische punkers in kraakpanden, die ‘geheime stad […] die je alleen door verborgen luiken en klapdeuren kon bereiken’?

Het aanstellerige vocabulaire

Vuur is het dominante beeld. Er is de titel – ontleend aan een track van Ex Post Facto, die weer verwijst naar The Clash – er zijn brandstichtende Posthumanisten, er is het verhaal van Sams vader, vuurwerkfabrikant uit een geslacht van vuurwerkers, er zijn de branden tijdens de stroomstoring van 13 juli 1977. En dit alles in 1.055 pagina’s literaire vetzucht.

Al die tijd put Hallberg zich uit in alinea’s waarin onmatig met beschrijvingen en gezochte metaforen wordt gestrooid (‘een spasme dat tussen twee tektonische platen van benauwdheid werd fijngemalen’, ‘het floëem onder de taaie schors van een boom’, ‘vloeibare aritmie’). Sporadisch levert het talig vuurwerk op, maar wel van het soort waarnaar je vanuit de verte kijkt, geen vuurwerk dat je opslokt.

Vanwaar dat aanstellerige vocabulaire? In de Amerikaanse editie noteerde ik binnen enkele pagina’s ‘obsequy’ (duur voor: kruiperigheid), ‘horripilating’ (rechtopstaand haar bij kippenvel), ‘adenoidal’ (neusamandelig?) en ‘auratically’ (eh?). Zulke woorden kun je inzetten wanneer je een stem schept voor een bepaald type poseur, denk aan Lolita, maar hier vestigen ze hooguit de aandacht op een schrijver die heel driftig aan het schrijven is. Zo metselt Hallberg een muur van ‘verbositeit’ tussen lezer en romanwereld. Het resultaat is dat het je niets kan schelen.

Maar is dit dan niet gewoon zo’n experimentele roman die vooral over zichzelf, literatuur en taal gaat? Nee. Want conceptueel heeft Hallberg juist te weinig gedurfd. Stad in brand is in de kern commerciële fictie zoals die in Amerika al decennia de boventoon voert. Men neme een wijdvertakt plot, een element van whodunnit en een caleidoscopische cast van ‘onvergetelijke’ personages wier levens in de schaduw van een historische gebeurtenis verstrengeld raken, liefst in een bedje van uitleggerig proza. Hallberg heeft dat ook nog eens gemakzuchtig gedaan, getuige Dickensiaanse toevalligheden. (William duikt op bij het optreden van zijn voormalige band, waar hij Charlie ontmoet, die met Sam naar het concert is, dezelfde Sam die even later wordt neergeschoten en gevonden door Mercer, de geliefde van William, dezelfde Mercer die van een feest komt waar hij lang heeft gepraat met Regan, de zus van William, dezelfde Regan die net gescheiden is van Keith, die een affaire had met Sam. De assistente van Williams galeriehouder is óók de buurvrouw van de omgekomen Groskoph, die iets groots over Billy Three-Sticks en het Hamilton-Sweeney-imperium op het spoor is.)

Morsdode dialoog

In de laatste paar honderd pagina’s begint Hallberg alle lijntjes samen te knopen, culminerend in de nacht van de Blackout, als acht miljoen New Yorkers in het donker zitten en overal geplunderd wordt. Langzaam wordt alles duidelijk, ‘een verstoring van het universum, zo eindeloos dat het Samantha Cicciaro en William Hamilton-Sweeney beiden kon omvatten’. Het boek wint dan aan momentum – alsof ontstopper tussen de pagina’s is gegoten – maar ook begint de constructie van de plot nog sterker door het oppervlak te schemeren, wat personages reduceert tot trekpoppen van de auteur.

Uiteindelijk spreken spelers in de kantlijn het meest tot de verbeelding. Centrale figuren, met name William en Regan, komen maar niet tot leven, met als dieptepunt de morsdode dialoog tussen broer en zus die elkaar na vijftien jaar weer onder ogen komen. Sowieso telt dit boek veel tv-dialogen. Wat jammer is, want Hallberg heeft wel degelijk talent. Het lukt hem de sfeer van een stad op te roepen die hijzelf niet eens heeft meegemaakt. Sterk zijn sommige intermezzo’s, die vaak in de eerste persoon zijn gesteld, wat de schrijver tot discipline lijkt te dwingen. De eerste helft van het literair-journalistieke verhaal ‘De vuurvreters’, uit de pen van Richard Groskoph, springt eruit. De fascinerende wereld van Italiaanse vuurwerkfabrikanten maakt hongerig naar meer. Zoals ik ook liever een geconcentreerd verhaal over de punkscene had gelezen. Het is voer voor kleinere romans, die nu zijn weggedrukt door de overdaad.

Er lijkt bij uitgevers een idee te zijn ontstaan dat omvang kwaliteit is. Dat is het niet. Een aanslag op des lezers tijd moet verdiend worden. Daarom zou ik Hallberg adviseren voor een volgend boek de punkmentaliteit te internaliseren. Drie instrumenten, drie akkoorden en een liedje van twee minuten waarin iets kernachtigs gemeld wordt: Less is more. More is snore.