Column

Vissen

Het leek er verdacht veel op dat iemand in de gracht was gevallen. Hoewel niet in het bezit van het diploma reddend zwemmen, haastte ik me naar de brug waar een groepje mensen opgewonden stonden te roepen.

Het viel mee. Het bleken fietsende dagjesmensen die waren afgestapt om te kijken naar een boot van Waternet, bezig met het opdiepen van wrakken uit de Keizersgracht. Luidkeels riepen ze vragen naar een man die in een gemakkelijke, draaibare stoel op de voorplecht zat. In zijn stoelleuningen zaten knoppen, waarmee hij een forse oranje kraan met grijper in het water kon bedienen.

Het was nog vroeg in de morgen en hij had zich goed gewapend tegen de kou met een muts plus capuchon over zijn hoofd. Naast hem stond een lange, kalende man. Kennelijk hadden ze een korte pauze ingelast, waarin ze zich openstelden voor vragen van toeristen. Omdat het zeer nieuwsgierige, Nederlandse toeristen waren, begon het tafereel op een geïmproviseerde persconferentie te lijken.

Zo gedroeg de kraandrijver, een man van in de vijftig met een sterk Amsterdams accent, zich ook. Hij ging geduldig op alle vragen in, lardeerde een en ander met korte anekdotes en stelde zijn veel zwijgzamere collega voor: „Dit is Jan. Hij helpt me.” Hij somde op hoeveel wrakke fietsen en boten zij jaarlijks bovenhaalden.

„Werkt u door als het regent?” vroeg iemand.

„Al regent het de hele dag’’, zei hij. „We hebben goede regenpakken. Ook als het vriest gaan we door. Ik heb weleens bij twintig graden vorst gewerkt.”

Er trok een lichte huivering door de groep, het leken me mensen die gewend waren aan een geriefelijk kantoorbestaan met regelmatige intermezzi aan de koffieautomaat. Alsof hij hun gevoelens geraden had, wees de kraandrijver naar het achterdeel van het schip, waar zich een slordig bouwsel verhief. „Daar hebben we een wc en een keukentje”, zei hij. Jan bevestigde deze constatering met een korte knik.

Hun boot was gekoppeld aan een grote stalen bak van dezelfde omvang, waarin de grijper de bodemschatten van de grachten kon storten. Er lagen alleen nog enkele verroeste fietsen in, maar dat had ongetwijfeld met het vroege tijdstip te maken.

„U bent eigenlijk een soort visser”, riep een jonge vrouw.

„Precies’’, zei de kraandrijver, „ik vind het leuk werk. Elke dag is weer anders.”

„Je weet nooit wat je bovenhaalt”, knikte Jan naast hem.

„Weet u ’s morgens al precies welk stuk u gaat doen?” vroeg een man.

„Nee hoor”, zei de kraandrijver, en hij bewoog een vinger door de lucht, „we zien het wel. We zijn ook klantvriendelijk, dus als mensen spullen in het water hebben laten vallen, proberen we te helpen. Het lastige is dat ze daarna fooien willen geven. Dat mag niet.” Hij liet in het midden of hij dit betreurde.

„Weet u dat we ook in het buitenland heel bekend zijn?” zei hij. „Tot in Australië toe. We krijgen veel publiciteit. Op YouTube staat een filmpje van ons dat 2,3 miljoen keer is bekeken.” Hij herhaalde het cijfer nog een keer, niet zozeer uit verbazing, maar meer omdat hij bang was dat men hem niet goed had verstaan.

Hij wees op zijn stoel. „Ik heb tegenwoordig stoelverwarming’’, zei hij tevreden, „dat is wel prettig met dit weer. Ik krijg er alleen een natte kont van.”

Hij zwaaide naar de brug. Ze gingen weer een stukje vissen.