Gevonden

Joris Linssen maakt een reportage over Els de Kruijter, die in 1969 te vondeling werd gelegd bij het boswachtershuis te Maarn, aan de voet van de Utrechtse Heuvelrug.

Op de avond van 2 juli 1969 hoorde boswachter G. Berkhof gehuil voor zijn huis. Hij dacht dat het een kat was en gooide een wasmiddelverpakking naar buiten om het dier te verjagen. Zijn twaalfjarige zoon ging naar buiten en vond op de bank voor het huis een pasgeboren baby, slechts gehuld in een plastic zak en een doek. Wachtmeester eerste klas, C. van den Berg nam het meisje mee naar huis, waar zijn vrouw zich over haar ontfermde. Hierna werd zij geadopteerd. Pas op haar zesde hoorde De Kruijter dat ze vondeling was.

Met Linssen gaat De Kruijter op zoektocht naar haar wortels, die hen brengt bij de boswachterszoon en de dochter van de wachtmeester. Ook haar adoptiemoeder, haar vriendin en twee dochters komen aan het woord.

De Kruijter zegt dat het begin een schaduw werpt over haar leven: „Ik voelde me als kind gedumpt. Ik heb altijd een zinnetje in mijn hoofd gehad: ik mag er niet zijn”