Oude helden verdedigen op Le Guess Who? de muzikale vrijheid

Muzikanten in pijen, jassen van neondraad of Afrikaans gewaad. Geknield, springend of verstild temidden van genadeloze geluidsdreunen. Het Utrechtse festival Le Guess Who?, dat vier dagen duurde, bood vierduizend bezoekers (per dag) een programma van 176 deels (nog) onbekende acts. Er was muzikaal geweld, maar ook de Libanees Elie Maalouf die zijn handen liet fluisteren op de hals van zijn bouzouki.

Het voornaamste deel van het festival speelde in muziekwarenhuis Tivoli/Vredenburg. In het aanbod was veel nieuws, maar ook opvallend veel oud: bijna vergeten helden als Arthur Brown, Magma of Faust kregen een groot podium. Het was vermakelijk om de op Simon Vinkenoog lijkende Brown met geverfd gezicht te zien rondspringen en zijn - enige - hit Fire (uit 1968) te horen zingen. Magma, opgericht in 1969, speelde gedisciplineerde liederen waarin twee aan Abba herinnerende zangeressen in een zelf bedachte taal nauwkeurig vogelgeluiden plaatsten, terwijl de band repetitieve frasen speelde. Ook Faust, de band die in 1971 Krautrock uitvond, was er: vier noeste mannen speelden instrumentale rockerupties met opgewonden kreten van de bassist, met voorop het podium dé blikvanger van dit festival: drie vrouwen die onverstoorbaar zaten te breien.

Afgezien van een enkel optreden, zoals dat van het florissante Duitse The Notwist dat stuwende beats afwisselde met onschuldige rammelliedjes, was deze negende editie van Le Guess Who? zwaarder dan voorgaande jaren. De muziek was duister en hoe bevlogen oude helden ook speelden, de connectie met het heden was niet steeds meteen duidelijk. De waarde zat in de achterliggende gedachte. Deze artiesten – velen aanwezig waren op uitnodiging van de Amerikaanse band Sunn 0))) - vertegenwoordigen een aanpak die tegenwoordig niet meer vanzelfsprekend is: de absolute vrijheid om te verkennen en onderzoeken.

Sunn 0))), spreek uit ‘Sun, heeft die gedachte zelf tot in het extreme doorgevoerd, zo bleek zaterdagavond. Bij de deur deelden portiers dringend oordoppen uit. Niet ten overvloede. Het optreden bestond uit één nummer dat klonk als het langgerekt gerommel van een onweersbui. Het volume schoof richting pijngrens, trillende bassen veroorzaakten wapperende kleding en laarzen bij het publiek terwijl de vijf bandleden in monnikspijen magische handgebaren maakten. Het geheel leek een seance voor het uitdrijven (of aanroepen?) van boze geesten.

Meteen daarna zorgde tenorsaxofonist Kamasi Washington voor een ander uiterste. Hij hield de grote zaal in de ban met zijn koninklijke voorkomen, relaxte verhalen, geweldige drummers (twee) en de levenslustige manier waarop hij van de ene naar de andere notenladder roetsjte.